Anarchisten en actie

Anarchisten zijn geen slaven van aantallen maar blijven strijden tegen macht, ook al staat de klassenstrijd bij de massa op een laag pitje. Anarchistische actie moet er zich daarom niet op richten om het geheel van de klasse van uitgebuitenen te verdedigen en te organiseren in één grootse organisatie die zal toezien op de strijd van begin tot einde, maar wel op het identificeren van enkelvoudige aspecten van de strijd en die tot hun conclusie van de aanval brengen.

Als anarchisten één constant kenmerk hebben, dan is het wel het zich niet laten ontmoedigen door de tegenstanders in de klassenstrijd of het zich niet laten betoveren door de beloftes van de macht.

Het zal altijd moeilijk blijven, zelfs onmogelijk, om een anarchistische kameraad te vinden die heeft toegegeven aan de macht. Dit kan gebeuren als resultaat van folter of fysieke pijn, maar nooit door de lange toverspreuken van de repressie of verlies van hart en vastberadenheid. Er zit iets in anarchisten dat verhindert dat ze ontmoedigd geraken, iets dat hen optimistisch maakt zelfs op de slechtste momenten van hun geschiedenis. Het zorgt ervoor dat ze vooruit kijken, zoekend naar mogelijke toekomstige doorbraken in de strijd, niet terug gapend naar vroegere vergissingen.

Daarom is het revolutionaire werk van een anarchiste nooit exclusief gericht op massamobilisatie, want anders zou het gebruik van bepaalde methodes onderworpen worden aan de omstandigheden en bewegingen van de massa. De actieve anarchistische minderheid is geen simpele slaaf van de aantallen maar handelt in de realiteit door haar eigen ideeën en methodes te gebruiken. Er is natuurlijk een relatie tussen deze ideeën en de groei van organisatie, maar het ene is nooit het directe resultaat van het andere.

De relatie met de massa kan niet gestructureerd worden als iets dat het passeren van de tijd moet verdragen, met andere woorden, kan dus niet gebaseerd zijn op een oneindige groei en verzet tegen de aanvallen van de uitbuiters. Het moet een meer beperkte specifieke dimensie hebben; één die beslist die van de aanval en niet van de achterhoede-relatie is.

De organisatorische structuren die we aanbieden zijn beperkt in tijd en ruimte. Het zijn simpele associatieve vormen die op korte termijn kunnen gerealiseerd worden. Met andere woorden: hun doel is niet de verdediging en organisatie van het geheel de uitgebuite klasse in één grootse organisatie die van begin tot einde op de strijd toeziet. Ze moeten een meer beperkte dimensie hebben door het identificeren van één aspect van de strijd en haar tot de conclusie van de aanval te brengen. Ze moeten niet afgewogen worden op hun ideologisch karakter, maar bepaalde basiselementen bevatten die door iedereen gedeeld kunnen worden: zelfbeheer van de strijd, permanente conflictgerichtheid, aanval op de klassevijand. Op z’n minst twee factoren wijzen naar deze weg voor de relatie tussen de anarchistische minderheid en de massa: de klassenopdeling geproduceerd door het kapitaal en het zich verspreidende gevoel van impotente onmacht dat het individu krijgt door in bepaalde vormen van collectieve strijd actief te zijn.

Er bestaat een sterk verlangen om te strijden tegen uitbuiting, en er zijn nog steeds plaatsen waar deze strijd zich concreet kan uiten. Actiemodellen worden nu in de praktijk uitgewerkt en er moet in deze richting nog veel gedaan worden.

Kleine acties worden altijd bekritiseerd omdat ze onbeduidend en belachelijk zouden zijn tegen zo’n immense structuur als die van de kapitalistische macht. Maar het zou een vergissing zijn om te pogen dit op te lossen door ze op een kwantitatieve schaal tegenover elkaar te stellen in plaats van deze kleine acties, die gemakkelijk door anderen herhaald kunnen worden, uit te breiden en te verspreiden. De botsing is betekenisvol juist omwille van de grote complexiteit van de vijand die zichzelf constant aanpast en hervormt om de algemene consensus te bewaren. Deze consensus hangt af van een fijn netwerk van sociale relaties dat op alle terreinen functioneert. De minste verstoring schaadt haar tot ver voorbij de beperkingen van de actie zelf. Het schaadt haar imago, haar programma, haar mechanisme dat sociale vrede produceert en het instabiele evenwicht van de politiek.

Elke miniscule actie die komt van zelfs een erg klein aantal van kameraden, is in feite een grote daad van subversie. Het gaat ver voorbij de vaak microscopische dimensie van wat er heeft plaatsgevonden; het wordt niet zozeer een symbool dan wel een referentiepunt.

Het is in deze zin dat we over opstand hebben gesproken. We kunnen beginnen onze strijd op zo’n manier op te bouwen dat de omstandigheden voor revolte kunnen ontstaan, dat een latent conflict zich kan ontwikkelen en op de voorgrond kan plaatsen. Op deze manier wordt er contact gelegd tussen de anarchistische minderheid en de specifieke situatie waar de strijd kan ontwikkeld worden.

We weten dat vele kameraden deze ideeën niet delen. Sommigen beschuldigen ons ervan dat we analytisch gezien over tijd zijn, anderen dat welomschreven strijd alleen maar de doelen van de macht dient waarbij ze argumenteren dat, zeker in het elektronische tijdperk, het niet meer mogelijk is te spreken over revolte.

Maar we zijn koppig. We geloven dat het ook vandaag de dag nog mogelijk is om te rebelleren, zelfs in dit computertijdperk.

Het is nog steeds mogelijk om het monster met een speldenprik te doorboren. Maar we moeten ons afkeren van de stereotiepe beelden van de grote massastrijden en van het concept van oneindige groei van een beweging die alles moet domineren en controleren. We moeten meer precieze en gedetailleerde denkbeelden ontwikkelen. We moeten de realiteit beschouwen voor wat het is en niet wat we ons inbeelden dat het is. Tegenover een situatie moeten we een helder idee plaatsen over de realiteit die ons omringt, over de klassenbotsing die de reflectie is van zulke realiteit en ons voorzien van de nodige middelen om in die realiteit te interveniëren.

Als anarchisten hebben we modellen van interventies en ideeën die van groot belang zijn en een revolutionaire betekenis in zich dragen, maar ze spreken niet voor zichzelf. Ze zijn niet onmiddellijk begrijpbaar, en dus moeten we hen in de praktijk brengen - het volstaat niet ze uit te leggen.

Juist de inspanning om onszelf te voorzien van de middelen die nodig zijn voor de strijd zal helpen om onze ideeën te verhelderen en te verduidelijken, zowel voor onszelf als voor zij die met ons in contact treden. Een gereduceerd idee van deze middelen, één dat zich beperkt tot simpele tegen-informatie, tegenstemmen en principiële verklaringen, is duidelijk ongeschikt. We moeten dat overstijgen en in drie richtingen werken: contact met de massa (met helderheid, welomschreven en beperkt tot de precieze benodigdheden van de strijd); actie binnen de revolutionaire beweging (in de subjectieve betekenis, zoals we al vermeldden); opbouw van een specifieke organisatie (geschikt zowel om te werken binnen de massa als voor actie binnen de revolutionaire beweging).

En we moeten heel hard werken in deze richting.

Alfredo M. Bonanno

Uit: Insurrection, september 1989.

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License