De morele splijting

Is het mogelijk om de structuren van overheersing aan te vallen zonder geconfronteerd te worden met de valse gewetensproblemen zoals zo vaak gebeurt? Het enig mogelijke ethische oordeel is de klassecategorie. Geen enkele anarchist is principieel tegen revolutionaire actie maar brengt het niet altijd in de praktijk. Een reden zou de ‘morele splijting’ kunnen zijn.

Om een actie uitgevoerd te krijgen is het niet genoeg om het als ‘juist’ te beschouwen. Andere elementen spelen mee, waarvan sommigen, zoals de onderliggende morele afweging, niets te maken hebben met de geldigheid van de actie. Dit is vrij evident te zien in de moeilijkheid die kameraden hebben om acties uit te voeren die op zich bekeken niets uitzonderlijk in zich dragen.

Een moreel obstakel komt op de voorgrond die leidt naar een echte ethische ‘splijting’ met consequenties die niet makkelijk te voorspellen zijn. Bijvoorbeeld: we hebben de zinloosheid van enorme vreedzame massabetogingen al een tijdje aangetoond. In plaats daarvan stellen we betogingen voor die nog steeds massabetogingen zijn, maar die opstandig georganiseerd zijn, ondersteund door kleine aanvalsacties tegen de kapitalistische structuren die verantwoordelijk zijn voor de huidige toestand van uitbuiting en genocide op wereldschaal.

Wij denken dat het nuttig zou zijn om eventjes na te denken over de verschillende houdingen tegenover zo’n acties, los van enige discussie over methode of politieke berekening.

Hoe diep we ook theoretisch doordringen in de dingen, de spoken in ons allemaal blijven. Eén van deze spoken is de eigendom van anderen. Anderen zijn: mensenlevens, God, beleefdheid, seks, tolerantie van andermans meningen,… Maar laat ons bij het onderwerp blijven: we zijn allemaal tegen privaat eigendom, maar vanaf dat we onze hand uitstrekken om het aan te vallen, dan gaat er een alarmbel in ons af.

Eeuwen van morele conditionering uiten zich, zonder dat wij het ons realiseren, met twee resultaten: aan de ene kant is er de kick van het verbodene - die er vele kameraden toe verleidt om stomme kleine diefstallen die verder gaan dan onmiddellijke en onvermijdelijke behoeften te begaan -; en aan de andere kant is er het onbehagen bij ‘immoreel’ gedrag. De kick laten we opzij liggen, ik ben er niet in geïnteresseerd en ik laat die graag over aan zij die zich amuseren met zo’n dingen, beter een blik werpen op dat ‘onbehagen’.

Het is zo dat we allemaal gereduceerd zijn tot de status van ‘kudde’. De moraal die we allemaal delen (iedereen, zelfs zij die dat in theorie niet doen) is ‘altruïstisch’. Het is een respectabele, egalitaire en nivellerende moraal. De gebieden van deze moraliteit moeten nog verkend worden. Hoeveel kameraden zijn er bijvoorbeeld niet gewonnen voor vrije liefde, maar zouden toch terugdeinzen voor de naaktheid van hun eigen zuster? Zeker niet maar enkelen.

En wanneer we onze aanval op privaat eigendom tegenover onszelf verantwoorden - en tegenover het tribunaal van de geschiedenis -, zeggende dat het juist is dat de onteigenaars worden onteigend, zijn we de gevangenen van een soort slavernij, de morele slavernij om exact te zijn. We bevestigen de ‘eeuwige’ geldigheid van onze vroegere bazen en laten het aan anderen over om te oordelen of diegenen die we onteigend hebben het verdienden om onteigend te worden. Dus, van de ene verantwoording naar de volgende, eindigen we met het bouwen van een kerk, bijna zonder het ons te realiseren. Ik zeg ‘bijna’, want in feite zijn we er ons van bewust, maar we zijn er bang voor.

Iemands eigendom nemen heeft een sociale betekenis. Het is rebellie en, juist daarom, moeten de eigenaars gezien worden als deel van de bezittende klasse, niet gewoon als mensen die iets bezitten. We zijn geen estheten van nihilistische actie die geen verschil zien tussen het nemen van de bezittende klasse en geld wegnemen uit het potje van een bedelaar.

De daad van onteigening betekent juist iets in de huidige klassecontext, niet omwille van de ‘foute’ weg die degenen die wij willen onteigenen in het verleden hebben bewandeld. Als dat ons enige referentiepunt zou zijn, dan zou de kapitalist die lonen geëist door de vakbond betaald, ‘zorgt voor’ zijn werknemers, verkoopt aan redelijke prijzen,… uitgesloten worden uit de legitimiteit van de onteigening. Waarom zouden we onszelf bezwaren met zulke vragen?

Bijvoorbeeld, als we een bedrijf dat wapens levert aan het Apartheidsregime of dat het racistische regime in Israël financiert, dat kerncentrales ontwerpt of dat elektronische toepassingen ontwikkelt om traditionele wapens te ‘verbeteren’ aanpakken, dan ligt het accent niet zozeer op hun specifieke verantwoordelijkheid wanneer we ze aanvallen dan wel op hun behoren bij de klasse van uitbuiters.De specifieke verantwoordelijkheid is alleen maar een kwestie van strategische en politieke keuze. Het enige element op basis waarvan de ethische beslissing te nemen is het element van de klasse. Als we ons hiervan bewust zijn, bereiken we wat meer duidelijkheid. De morele fundering voor een actie is het verschil tussen klassen, het behoren bij één van de twee componenten van de samenleving die onherroepelijk tegenover elkaar staan en waarvoor de enige oplossing de vernietiging van één van de twee is.

Langs de andere kant behoeven de politieke en strategische funderingen een reeks van overwegingen die contradictoir kunnen zijn. Alle hierboven genoemde doelwitten dragen dit aspect in zich, maar dat heeft niets te maken met de onderliggende morele verantwoording.

Maar zonder dat we het beseffen, is het op het terrein van de morele beslissing dat velen van ons obstakels op hun weg vinden. Ruw gesteld: de vreedzame massabetoging, hoe demonstratief ook voor onze ‘tegen’-intenties, was iets anders. Zelfs de zeer gewelddadige rellen met de politie waren iets anders. Er was een intermediaire realiteit tussen onszelf en de ‘vijand’, iets dat ons moreel alibi garandeerde. We voelden ons zeker ‘gelijk’ te hebben, ook al namen we posities (nog steeds op het terrein van de democratische contestatie) in die niet gedeeld werden door de massa van betogers. Zelfs wanneer we een aantal ruiten hadden kapotgeslagen bleven de dingen zo dat we ertoe in staat waren er ons mee te verzoenen.

De dingen staan anders wanneer we zelf handelen, of samen met andere kameraden die ons nooit een psychologische ‘dekking’ zouden kunnen geven van de soort die we zo snel krijgen binnen de ‘massa’. Dan gaat het over individuen die beslissen de institutie aan te vallen. Ofwel vallen we aan, ofwel deinzen we terug. Ofwel aanvaarden we de logica van de klassenstrijd als een onherleidbare tegen-positie die geen oplossing erkent, of we deinzen terug richting onderhandelen en linguïstische en morele teleurstelling.

Als we onze hand opheffen tegen andermans eigendom - of iets anders, maar altijd iets in het bezit van de klassenvijand -, en het aanvallen, dan moeten we daar de volle verantwoordelijkheid voor nemen zonder te zoeken naar een verantwoording in het veronderstelde niveau van de collectieve situatie als geheel. We kunnen het morele oordeel over de nood tot het aanvallen en raken van de vijand niet uitstellen totdat we al diegenen die de ‘collectieve situatie’ bepalen hebben geraadpleegd. Ik zal dit duidelijker uitleggen. Ik ben niet tegen het massa-werk van tegeninformatie of de voorbereiding van intermediaire strijden die ook nodig zijn in een situatie van uitbuiting en miserie. Waar ik wel tegen ben is de symbolische (en louter symbolische) loop die strijden nemen. Ze zouden gericht moeten zijn op het behalen van resultaten, al zijn het maar gedeeltelijke. Resultaten die onmiddellijk en zichtbaar zijn, altijd met de premisse dat de opstandige methode - gebaseerd op de weigering van de vertegenwoordiger, op autonomie, op permanente conflictgerichtheid en op zelfbeheerde basisstructuren - gebruikt wordt.

Waar ik niet mee akkoord ben, is dat men hier moet stoppen, of zelfs vóór dit punt zoals sommigen dat zouden willen: stoppen bij de fase van simpele tegeninformatie en afkeuring, meer dan alle andere dingen georchestreerd door de deadlines van de repressie.

Het is mogelijk, nee, nodig, om iets anders te doen en dat ‘iets anders’ moet nu gebeuren, in de huidige fase van gewelddadige en snelle herstructurering. Het lijkt me dat dit kan gedaan worden met de directe aanval op kleine doelwitten die de klasenvijand aanduiden, doelwitten die zichtbaar zijn in de sociale ruimte en die wanneer ze niet zichtbaar zijn, met weinig moeite zichtbaar kunnen gemaakt worden door tegeninformatie.

Ik denk niet dat er anarchistische kameraden tegen deze praktijk kunnen zijn, alleszins in principe. Er kunnen zij zijn (en die zijn er) die zeggen dat ze er tegen zijn, gebaseerd op een evaluatie van de huidige politieke en sociale situatie, omdat ze geen enkel constructief massa-perspectief kunnen achterhalen, en dat kan ik begrijpen. Maar er zou geen principiële veroordeling mogen zijn van zulke acties.

Het is een feit dat zij die zich distantiëren van deze acties met veel minder zijn dat zij die ze wel ondersteunen maar ze niet in de praktijk brengen. Hoe valt dat uit te leggen? Ik denk dat dit verklaard kan worden door precies deze ‘morele splijting’ in ons die verder gaat dan de forten van de ‘rechten’ van anderen, zeker in het geval van kameraden zoals mezelf die werden opgevoed om bij de minste duw ‘danku’ of ‘sorry’ te zeggen.

We spreken vaak over de bevrijding van onze gevoelens. We spreken vaak over de weigering van idealen die vanuit de bourgeoisie op hun triomfmoment werden verspreid en aan ons werden opgelegd.

Waar we uiteindelijk over praten, is over de echte bevrediging van onze noden, die niet alleen maar de zogenaamde primaire behoeften van simpel fysiek overleven zijn.

Wel, ik denk dat woorden niet genoeg zijn voor dit prachtige project. Zolang het hardnekkig binnen het oude concept van de klassenstrijd bleef die gebaseerd was op het verlangen om dat wat onrechtvaardig van ons afgenomen was (het product van onze arbeid) ‘terug toe te eigenen’, waren we ertoe in staat te ‘praten’ (zelfs wanneer we daar niet ver in gingen) over noden, gelijkheid, communisme en zelfs over anarchie. Vandaag, nu deze fase van simpele toe-eigening onder het kapitalisme zelf veranderd is, kunnen we geen toevlucht zoeken bij dezelfde woorden en dezelfde concepten.

De tijd van woorden loopt op haar laatste pootjes. En we beseffen elke dag meer en meer dat we tragisch achterlopen, opgesloten in een getto, in discussie over dingen die niet langer van echt revolutionair belang zijn, terwijl de mensen snel naar andere betekenissen en perspectieven toehollen waar de Macht hen sluw en effectief toe aanmaant.

De enorme taak van de bevrijding van ethiek, dit zwaargewicht dat in haar tijd samengesteld werd in de laboratoria van het kapitalisme en binnengesmokkeld werd in de rangen van de uitgebuitenen, is nog maar amper begonnen.

Alfredo M. Bonanno

uit: Insurrection, nummer 5, 1988.

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License