Een kwestie van klasse

In tegenstelling tot wat velen geloven, is klasse geen marxistisch concept. Hoewel we de marxistische claims over de historische rol van de industriële arbeidersklasse boven alle andere uitgebuitenen weigeren, is het duidelijk dat de maatschappij nog steeds verdeeld is in tegengestelde klassen. De termen van deze verdeling veranderen met de transformatie van het kapitaal. Het is belangrijk dit proces te herkennen om onze aanval op de juiste doelen te richten.

Vele anarchisten geloven dat de idee ‘klasse’ een marxistisch concept is en zijn er daarom niet in geïnteresseerd en proberen ze andere manieren uit te werken om de sociale verdelingen te analyseren.

Deze verdelingen bestaan overduidelijk. Conflicten en lijden overheersen de hedendaagse realiteit. De grote massa’s die de profiteurs en hun stromannen steunen slagen er maar nauwelijks in om zelf te overleven.

Het is daarom nodig om de scheidingen van groeperingen of individuen die dezelfde economische, politieke en cultureel sociale situatie delen op het spoor te komen, hoe moeilijk dat ook mag zijn.

Het is waar dat de term ‘klasse’ gedurende de laatste 40 jaar gedomineerd is geweest door marxistische mystificatie. Dit is echter niet zozeer het geval in Marx’ identificatie van klassen, dan wel in zijn claim dat de industriële arbeidersklasse er historisch toe voorbestemd was niet alleen hun eigen bevrijding te bewerkstelligen, maar ook die van de hele mensheid, doorheen de leiding van de partij die beweert haar te vertegenwoordigen.

Elke anarchist kan zien hoe absurd en fout dit concept van klasse is. Maar we moeten ons herinneren dat dit niet zozeer te maken heeft met het concept van klasse dan wel met de deterministische en messianistische rol die de industriële arbeidersklasse toebedeeld kreeg.

Wij denken dat het concept van klasse niet alleen geldig, maar ook nodig is. Het is een instrument om ons doorheen de stroom van de verschillende aspecten van de sociale realiteit te leiden. Waar we niet in geïnteresseerd zijn, zijn de mystieke claims over de bestemming van de industriële arbeidersklasse.

Eén ding kunnen we met zekerheid zeggen: de productieve structuren die de klassenscheidingen in de recente voorbije jaren bepaald hebben zijn diepgaand aan het veranderen. Wat ook zeker is, is dat ondanks in vele opzichten verschillend, er een even bitter conflict wordt gereproduceerd. Het probleem is te achterhalen hoe dit gebeurt. Waar staan we vandaag tegenover? Wat markeert de grens tussen het overheersende deel van de mensheid en de rest?

Dit is zo’n belangrijke vraag dat het de nood om de intermediaire lagen te bestuderen voorlopig op de tweede plaats zet. Even onbelangrijk - voorlopig - is de nood om na te denken over een verdeling in drie of meer klassen. Wat ons nu interesseert is de stelselmatige verdwijning van de traditionele klassenscheidingen en het ontstaan van de nieuwe.

Natuurlijk behoeft zo’n argument meer plaats dan we er hier aan kunnen besteden, maar we zullen ons best doen. De voorgaande klassenscheiding was gebaseerd op een ‘gebrek’. Er was iets dat werd beschouwd als ‘gemeenschappelijk goed’ dat oneerlijk was verdeeld. De heersende klasse nam een groot deel van dit goed (algemeen bekend als welvaart) in bezit, en vanuit deze onrechtvaardige winst onttrok ze de middelen om de uitbuiting en de overheersing te laten voortduren. In de eerste plaats waren dit de culturele en ideologische middelen waarop een hele waardeschaal was gebaseerd en die de onteigende massa veroordeelde tot wat een onherroepelijke situatie leek.

In feite hadden de diepgaande contradicties binnen het systeem zelf er een even radicaal effect op als de strijd tegen zulke vormen van overheersing. De terugkerende sociale problemen werden opgelost door de arbeidsomstandigheden te verbeteren.

De situatie werd meer en meer ontolereerbaar voor het kapitaal en het moest haar structuren versterken door de collaboratie tussen de Staten te verhogen. Maar het is de geavanceerde technologie die een beslissende impact had bij het mogelijk maken van de herstructurering.

Nu stevenen we dus af op een totaal andere situatie. De kwestie van ‘gebrek’ wordt vager en vager, terwijl de kwestie van ‘bezitten’ opkomt. De klassenscheiding is niet langer gemaakt door het niet bezitten van ‘zo veel’ als de ander, maar door het feit - uniek in de geschiedenis van de mensheid - dat het ene deel ‘iets’ bezit dat de ander niet bezit.

Om dit beter te begrijpen moeten we ons herinneren dat de uitgebuite klasse in het verleden altijd iets heeft ‘bezeten’, ook al was het alleen maar haar ‘arbeidskracht’, de capaciteit om te produceren. Ze werden er altijd toe gedwongen die te verkopen, dat is waar, en vaak aan een erg lage prijs, maar de andere kant had er hoe dan ook nood aan. Het onderhandelen kon zelfs het punt bereiken waarop deze miserabele verkopers van hun arbeidskracht bij hun nekvel werden gegrepen, maar niemand kan ontkennen dat de arbeidersklasse een ‘bezit’ had dat een deel was van dezelfde waardeschaal als die van de heersende klasse. In het verleden stonden uitgebuiters en uitgebuitenen tegenover elkaar (ook binnen de aanzienlijke breedte van de klassenstratificatie) op basis van een ‘bezit’ dat gemeenschappelijk was voor beiden, maar ongelijk in eigendom was. Nu bezit de ene kant iets wat de andere niet heeft, en nooit zal hebben.

Dit ‘iets’ is technologie: het technologische management van de overheersing, de constructie van een exclusieve ‘taal’ die toebehoort aan een klasse van ‘ingeslotenen’. Zij zijn zichzelf aan het omringen met een grote muur die veel hoger is dan die uit het verleden (die bestond uit materiële welvaart en werd verdedigd door bodyguards en kluizen). Deze muur zal een radicale scheiding zijn, zo scherp dat ze onbegrijpbaar wordt - op korte termijn - voor zij die zich niet bevinden in het proces van insluiting. De overblijvers, de uitgeslotenen, zullen een klasse van externe ‘vazallen’ worden die er alleen maar toe in staat is secundaire technologie te gebruiken en perfect geschikt is voor het project van overheersing.

Het ‘uitgesloten’ deel van de mensheid zal er niet toe in staat zijn, alleszins voor een erg lange tijd, om te beseffen wat hun is ontnomen, omdat het een product zal zijn dat niet langer hoort bij dezelfde waardeschaal. Met de bouw van deze nieuwe en, hopen zij, finale scheiding, zijn ze ook bezig aan de opbouw van een nieuwe morele code die niet langer hoort bij dezelfde waardeschaal, een soort van morele code die er niet langer toe neigt zich te delen met anderen, met zij die behoren tot de wereld van de uitgeslotenen. In het verleden was net deze morele code de hiel van Achilles. Ze was nuttig om op verschillende manieren een betere controle te verzekeren, maar dit mondde vaak uit in een situatie waarin de de uitbuiters de hete adem van hun volgelingen in hun nek voelden branden.

Deze nieuwe situatie die op weg is naar vervolmaking bouwt dus nieuwe klassenstructuren, maar is het concept van klasse niet aan het afschaffen. Het is geen kwestie van terminologie, maar een gebruiksnoodzaak. Op dit moment lijkt het concept van klasse - en dat in relatie met klassenstrijd - vrij geschikt om de processen van sociale structuren en hoe ze functioneren aan te duiden. Op dezelfde manier is het nog steeds mogelijk om het concept van ‘klassenbewustzijn’ te gebruiken in het aanzien van de groeiende moeilijkheid waarmee de ‘uitgeslotenen’ geconfronteerd worden wat hun eigen situatie van uitsluiting betreft.

Elke revolutionaire strategie van verzet tegen het proces van de aan de gang zijnde herstructurering die we kunnen inbeelden moet zich bewust zijn van de transformaties die bezig zijn en, binnen zekere grenzen, van de stratificatie binnen de klassen zelf. In deze vroege fase zijn de marges van de ingesloten klasse (de vijandelijke klasse) misschien niet zo gemakkelijk te definiëren. We zullen onze aanval daarom moeten richten op objectieven die vanzelfsprekender zijn. Maar dit is slechts een kwestie van documentatie en analyse.

Wat in deze fase belangrijk is, is aantonen dat discussies over terminologie het probleem van het vinden en ontmaskeren van de vijand niet zullen oplossen. Hierin volharden verbergt louter en alleen de incapaciteit om te handelen.

AMB

Uit:Insurrection, nummer 5, 1988.

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License