Een trein in de nacht

Het is om vele redenen niet aangeraden de nachttrein te nemen. Maar als je haast hebt is het de enige trein die je in een nacht door het hele land brengt. Zo’n trein zit altijd vol met clandestiene mensen die proberen de grens over te steken, mensen vol hoop en wanhoop, net als ik.
Ik heb besloten deze trein te nemen, omdat ik anders gedwongen ben de nacht door te brengen in de kou of te betalen voor een hotel. Het is iets na 1u ’s nachts bij X. Er zitten vannacht maar weinig mensen op de trein en we zitten met drie of vier in de coupé. Zoals gewoonlijk stappen twee of drie groepen jongeren op de trein en sluipen langs de stoele, duidelijk met duistere bedoelingen. Omdat ik het traject vrij goed ken, hou ik mijn rugzak veilig tussen m’n benen geklemd zodat mijn papieren en geld tegen m’n lichaam zitten. Aangezien ik op straat woon, ben ik behoorlijk voorzichtig. In deze rookvrije coupé zit eveneens een oude vrouw met dozen en koffers die keurig tussen de stoelen geplaatst zijn. Ook zij merkte het vreemde gedrag op. Een uur later merk ik dat iemand,ééen van de jongeren, achter me gaat zitten. Ik slaap maar half, word dus wakker en zie dat een andere voor me is gaan zitten. Ik kijk ze aan zonder iets te zeggen. Het licht is uit, maar ik raad dat ze ook uitdagend naar mij kijken. Ze moeten ongeveer veertien of vijftien zijn, maar het zijn al volwassenen met hun korte haar en de broek van hun oudere broer en jasjes en schoenen. Ik zie dat ze opstaan en naar het volgende coupé doorlopen. Ik maak gebruik van het passeren van een conducteur en ga naar het toilet om een joint te roken, waar ik behoorlijk stoned van word. Het is hele goeie wiet en ik moet oppassen dat de rook niet ontsnapt.
“Lafaards.” De oude vrouw vervloekt diezelfde kereltjes die geprobeerd hebben haar te bedreigen. “Ik sta ook op straat, verdomme!” Ze kijkt me wanhopig aan en ik begrijp dat ze ook mij niet vertrouwt. Het eerste daglicht doet de bergen in de verte glinsteren. Hoewel er een hoop sneeuw ligt, wordt het een mooie dag. Het is vroeg in de ochtend als we aankomen in X. Een groep schoolkinderen die op vakantie gaat, staat op het perron met hun tassen. De trein gaat weer rijden; nog een paar uur en dan kan ik er uit en iets eten.
Ik hoor de deuren achter me openen en dan zie ik ze. Het zijn er drie, met hoeden, uniformen en een badge op hun jas. Terwijl de eerste de oude vrouw om haar papieren vraagt, wijzen de andere twee naar mij. Er zitten drie passagiers en drie politieagenten in de wagon. “Goedemorgen, paspoorten,” zeggen ze met geforceerde beleefdheid. Ze zijn duidelijk hun werkdag net begonnen, want ik kan de koffie en sigaretten in hun adem ruiken als ze mijn gegevens doorgeven aan het hoofdbureau van politie.
Ik heb last van mijn maag en zweet druppelt van mijn borst en oksels. Ze kijken me enkele minuten aan, vragen mijn gegevens, wachten dan op communicatie van het hoofdbureau. We rijden door een gebied vol met tunnels en er zijn schommelingen. Ik moet rustig blijven, zeg ik tegen mezelf, terwijl ik naar het landschap kijk en probeer de kleuren te absorberen. Ik concentreer me op de stenen huizen en hun karakteristieke daken. Ik bedenk me dat dit de laatste keer zal zijn dat ik kan genieten van het landschap.
Ik vraag me af of mijn partner me geschreven heeft en ik vraag me ook af hoe ze zal te weten komen dat ik gepakt ben.
De jongste agent is niet getrouwd, de anderen wel: ze hebben goed gestreken overhemden. Ze hebben hun vrouw een kus gegeven voor ze naar het werk gingen. Zij zijn jagers en ik ben de prooi. Als de gazelle de tanden van de leeuw in haar nek voelt dringen, verlaat iedere poging tot verzet haar. Ik word plotseling bevangen door een vreemde kalmte. Ik wil lachen en tegen mezelf zeggen: “Uiteindelijk wist ik dat dit moment vroeg of laat zou komen, het ging té goed, maar nu is de dag des oordeels begonnen” Waar zullen ze me heenbrengen? Het is de eerste keer sinds ik er vandoor ben gegaan dat ik aan een dergelijke controle word onderworpen.
Ze hebben duidelijk problemen met de communicatie met het hoofdbureau. De jongste geeft me mijn papieren terug en verontschuldigdt zich. Ik kijk hem aan met een blik alsof ik wil zeggen dat ze weten waar ze me kunnen vinden en dat ik niets te verbergen heb. Terwijl ze weglopen sta ik op om te ontspannen en ga een sigaret roken in het gangetje. Ik vraag me af of ik moet gaan zitten of uitstappen in het volgende station. Maar de weg is nog lang en ik maak geen kans op ontsnappen. Als ze antwoord krijgen van het hoofdbureau komen ze bij me terug. Ik denk aan de mogelijkheden die er nog zijn: aan de noodrem trekken en uit de trein springen, mezelf opsluiten in het toilet en alle bewijslast tegen me vernietigen.
De oude vrouw keek me onderzoekend aan toen de agenten poogden me te identificeren en zag hoe nerveus ik erna was. Wanneer we aankomen bij X, maakt de oude vrouw zich klaar om uit te stappen met al haar koffers. Ik bied haar mijn hulp aan, maar ze slaat die resoluut af, terwijl ik opgelucht zie dat de agenten de trein eveneens verlaten. Binnen een paar uur ben ik bij de grens.
Ik besluit niet te denken aan wat ik hierna moet doen; daar heb ik nog de hele dag voor.

Er zijn geen agenten op het station, maar ik ga liever een stukje wandelen. Ik eet een broodje en tuur naar de zee en haar golven. Het weer is hier prima. Ik geniet van m’n laatste joint. Hij smaakt zo zoet, als vrijheid.

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License