Het deel en het geheel

Er kan geen twijfel over bestaan dat de maatschappij verdeeld is in tegengestelde klassen. Het verschil tussen zij die uitbuiting opleggen en zij die eronder lijden is radicaal en onverzoenbaar. Natuurlijk zijn er verschillende niveaus van deelname aan beide klassen. Niet alleen de overheersers maar ook zij die geconfronteerd worden met een perspectief van uitbuiting zijn in verschillende graden, naargelang hoeveel zij instemmen met het voortduren van de uitbuiting, verantwoordelijk.

Wat ons hier echter interesseert, is de relatie tussen de uitgebuitenen als geheel, en het deel, namelijk de specifieke minderheid van uitgebuitenen. Dit is niet zomaar een kwestie van definitie. Er ontstaat veel verwarring door foutief gebruik van de termen of door het verwachten van bepaalde gedragingen of gebeurtenissen waarvoor echter geen basis bestaat.

De uitgebuitenen als geheel hebben geen precieze identiteit. Vaak worden ze gezien als het industriële proletariaat, terwijl er ook landarbeiders en niet-verloonde lagen gekend als ‘lompenproletariaat’ bij zijn. Tijdelijke werknemers, zij die werken in de dienstensector (transport, handel, uitwisseling, school, cultuurindustrie) en de administratieve bedienden van de lagere echelons maken in feite ook deel uit van dit geheel.

Haar kenmerken zijn dus extreem vloeibaar en verschuifbaar, en kunnen op geen enkele manier het vaste referentiepunt zijn voor de doelen van revolutionaire actie. Eveneens is het onmogelijk om van het geheel een substantieel deel te identificeren, om een precieze klasse te bepalen die als referentiepunt dient voor de rest. Elke poging om dit te doen is gebaseerd op een specifiek politiek vooroordeel, meestal het vooroordeel van de partij en de kwantitatieve illusie (bijvoorbeeld de industriële arbeiders als leiders van het proletariaat of het lompenproletariaat als drijvende kracht van de revolutie).

Het overheersende kenmerk van het geheel in kwestie is haar vakbondsbewustzijn. Dit reguleert en limiteert het. Gedurende een lange periode kende dit geheel uitbarstingen van zelforganisatie die, naast andere zaken, het effect hadden dat ze de pogingen van andere delen om het over te nemen afblokten. In essentie is het vakbondsbewustzijn vergankelijk en gelimiteerd tot korte termijn belangen.

De specifieke minderheid is een deel van de uitgebuitenen, en er zijn verschillende minderheden binnen het geheel. Sommige minderheden hebben een etnische basis, zoals bijvoorbeeld de zwarten in Amerika die hoewel ze woordvoerders hebben binnen de overheersende klasse toch voor het grootste deel bestaan binnen de uitgebuitenen en zo een specifieke minderheid vormen. Zo is het ook, met dezelfde kenmerken, voor de Ieren, Basken, Corsicanen, Palestijnen,…

Op andere momenten heeft de minderheid een seksuele basis, zoals in het geval van vrouwen. Of de minderheid beantwoordt aan een bepaalde houding tegenover de heersende morele codes, zoals bij homo’s, lesbiennes en biseksuelen.

Deze minderheden omschrijven zichzelf doorheen selectieve mechanismen die opgelegd worden door de heersende klasse en die aanvaard worden door de rest van de uitgebuitenen.

Deze mechanismen zijn: een specifieke cultuur (vaak sub-cultuur genoemd); onderwerping aan het productieproces; aanzienlijke aanwezigheid in de lagere niveaus van sociale organisaties; een erg beperkte aanwezigheid in professionele sectoren, de media en het hoger onderwijs; getto-gevoel; en zo verder.

Deze soort minderheid heeft maar weinig beweegbaarheid naar hogere of lagere sociale lagen. Ze neigt ertoe vrij stabiel te blijven, of op z’n minst stabiel genoeg om een zeker evenwicht te bewaren. Culturele osmose wordt tot een minimum beperkt, net genoeg om de vijand toe te laten controle over het gedrag van de minderheid te bewaren en om mogelijke ‘afwijkende’ eisen te elimineren.

De revolutionaire beweging is geen minderheid in de betekenis waarover we hierboven spraken. Het is een actieve minderheid en daarom ook specifiek. Haar kenmerk is een niveau van zelfbewustzijn dat veelal voorbijgaat aan de vakbondsmentaliteit die de actie op twee opeenvolgende niveaus voorbereid: de partij (voor het kwantitatieve niveau) en het sociale (de zelforganisatie). De revolutionaire beweging bestaat meestal uit deze drie niveaus (vakbond, partij en zelforganisatie) die vaak verweven zijn met elkaar waardoor onderscheid maken moeilijk wordt.

Zelfs anarchisten met een revolutionair bewustzijn, die per definitie het derde en grootste niveau ondersteunen, hebben het niet nagelaten het vakbonds- en partijniveau te erkennen, hoewel er altijd kritiek is geweest en hoewel de strijd altijd is blijven doorgaan.

Het is een feit dat de revolutionaire beweging gedeeltelijk een direct en indirect resultaat is van de sociale en culturele veranderingen die constant in de maatschappij plaatsvinden: de productiekrachten, de klassensamenstelling,…

Als vakbonden (en anarcho-syndicalisme) en partijen opzij worden geschoven, blijft er een derde specifieke oplossing over: de anarchistische groep of de coördinatie van verschillende groepen. Dit wordt zo het basisinstrument voor de verspreiding van ideeën en acties die nodig zijn om de sociale veranderingen die we willen te bewerkstelligen: de definitieve vernietiging van de huidige orde die gebaseerd is op uitbuiting.

Dan kunnen we zien dat de de specifieke organisatie een deel is van de revolutionaire beweging, en daardoor ook een deel van de uitgebuitenen als geheel. Door de specifieke organisatie en haar niveau van bewustzijn kunnen elementen die deel waren van de heersende klasse hun afkomst achterlaten en de strijd van de uitgebuitenen tegen de klassenvijand vervoegen.

Uit: Insurrection, nummer 2, 1984

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License