Het Einde Van De Gevangenissen Betekent Het Einde Van Het Gevangenisme

Originele tekst:
El fin de las carceles es el fin del presismo, anon., december 2002

Download de brochure (A5 formaat)


Deze discussietekst werd vertaald naar het Nederlands en het Frans en verspreid naar aanleiding van de opflakkering van de strijd binnen en tegen de gevangenissen in de Belgische Staat in 2006.

De tekst werd geschreven in december 2002 en levert een diepgaande kritiek op de ziektes binnen de beweging tegen de gevangenissen in de Spaanse Staat. Rond 1999 flakkerde binnen de Spaanse gevangenissen het vuur van de revolte even op met de strijd tegen de FIES, voor de vrijlating van ongeneeslijk zieken en het stopzetten van de verspreiding van gevangenen over het territorium. Buiten de muren ontwikkelde zich een solidariteitsbeweging. De kritiek die in deze tekst geleverd wordt gaat over deze solidariteitsbeweging.

Na de kritiek is nog een brief toegevoegd van Amanda die in juli 2003 gearresteerd werd in Valencia omwille van solidariteitsacties met de gevangenen in strijd.

Moge deze tekst een bron van inspiratie zijn voor allen die vechten tegen de gevangenis en haar maatschappij.

De anarchie is onvermijdelijk !
september 2006

Het einde van de gevangenissen betekent het einde van het presismo (1)

De laatste jaren hebben we in onze milieu’s niet opgehouden met te praten over gevangenen in strijd, over hongerstakingen, over sociale rebellen, over eisen (de afschaffing van FIES en nog drie andere eisen, die jullie al te goed kennen…)

Vertrekkende vanuit het feit dat er binnen dit alles een reële strijd geweest is, zouden wij een kritiek (eerder afbrekend dan opbouwend) naar voren willen schuiven over wat wij het ‘presista-fenomeen’ noemen, om te proberen het beetje strijd te onderscheiden van de reële communicatie van folkflore en van het ‘simulacrum van strijd’. En vooral zouden we speciaal de strijd willen vermelden die zich vandaag grotendeels heeft getransformeerd tot het ‘presista-fenomeen’.

Wat verstaan wij onder het ‘presista-fenomeen’ ?
Om alles in z’n context te plaatsen, hoewel die waarschijnlijk meer dan gekend is, zullen we een kleine samenvatting geven van wat er gebeurd is. Tot in 1999 waren er enkele individuen en/of groepen die contact hielden (via brieven en bezoeken) met gevangenen. Maar het was pas met de eerste (collectieve) hongerstaking voor onbepaalde duur dat het libertaire milieu (anti-autoritair en anti-repressie) de situatie in de gevangenissen ontdekte.

Het is duidelijk dat we vanaf dit moment de steungroepen voor gevangenen, de publicaties met communiqués en adressen van de ‘kameraden gevangenen’,… als paddestoelen uit de grond hebben zien schieten. In vele steden werden acties ter ondersteuning van de gevangenen en in solidariteit met hun eisen op poten gezet. Het devies was : hun strijd is onze strijd ! En dat was goed…zolang er strijd was, natuurlijk.

Er waren ook verschillende ‘anti-gevangenis’ ontmoetingen tijdens dewelke we met plezier konden uitweiden over onze rol in deze strijd en over hoe we de strijd konden uitbreiden. Dit alles sloot zich op binnen een principesverklaring die goed bedoeld, maar abstract was : verspreiding, coördinatie en toekomstige verzetskassen.
De bekomen coördinatie is altijd minimaal gebleven, het strikt noodzakelijke opdat dit verhaal niet zou wegkwijnen. En wat we coördinatie genoemd hebben bleek uiteindelijk niets anders te zijn dan de inspanningen van een beperkte groep individuen. Deze groep individuen waren diegenen die zich, opmerkelijk genoeg, het minst op de voorgrond geplaatst hebben in het circus van de erkenning/waardering die zo aanwezig was in deze strijd.

En wat de fameuze ‘verzetskassen’ betreft… Het thema is bediscussiëerd, er is over gespeculeerd, er is over geïnsinueerd, maar we hadden het in ons achterhoofd moeten houden dat je dit soort zaken niet moet bediscussiëren, maar moet DOEN.

Wat daarentegen wel bereikt is, is de uitbreiding-verspreiding van de pseudo-strijd, maar dat was alleen maar kwantitatief (we hebben geen enkele kwalitatieve stap vooruit gezien). Er waren veel mensen die correspondentie onderhielden met de kameraden (en de ‘minder kameraden’) gevangenen van de zo gehate onderdrukkende en kapitalistische Staat. En talrijk waren ook zij, de gevangenen die hetzelfde deden met de ‘nieuwe kameraden in de straat’. Ze werden allemaal ‘lieve vrienden en vriendinnen’ en zeiden ‘Hallo kameraad’,… en daarna wat ?

We spreken over pseudo-strijd omdat we denken dat dozijnen kaartjes per maand schrijven en naar de gevangenis gaan om iemand te bezoeken niet kan beschouwd worden als strijd of als confrontatie (hiermee willen we niet gezegd hebben dat mensen ermee moeten stoppen dit te doen, maar dat het gedaan moet zijn met te beweren dat dit het meest subversieve of meest revolutionaire is dat we zouden kunnen doen).

Daarnaast lijken velen te vergeten dat het hier gaat over een ‘deelstrijd’. Het is daarom niet zo dat die naar een lagere niveau zou moeten geschoven worden, maar wij zouden jullie er alleen maar aan willen herinneren dat zolang er Staat-Kapitaal bestaat, er gevangenissen zullen bestaan (zelfs als die verschillen of zich transformeren), zolang er obsessie-vervreemding bestaat, zullen er gevangenen zijn (zowel binnen als buiten de muren).

In de jaren 80 was er de ‘ongehoorzaamheid’, tijdens de jaren 90 de kraakbeweging en nu het presismo. Je zou kunnen zeggen dat we ons elke keer opnieuw laten vangen door ‘de aan de gang zijnde strijd.’ Alsof het ging om een mode. Alsof we niet in staat zijn om ons verzet-aanval op alle fronten in praktijk te brengen.

Op dit moment zijn de collectieven, groepen en anarchistische individuen er niet in geslaagd om een strategie voor de anti-gevangenisstrijd te ontwikkelen die overeenkomt met de anarchistische praktijken. We hebben ons laten meeslepen door vormen die wat later plaats zouden laten aan het presista-fenomeen.
Wanneer we praten over presismo, hebben we het niet over de anti-gevangenisstrijd die een revolutionaire optiek in zich draagt en die zich uit in een even reële als radicale praktijk, maar eerder aan alle praktijken die vandaag al de gewoontes van velen zijn, die bestaan uit het ‘steunen van gevangenen’ in het algemeen. Het is te zeggen : presismo is dat wat de strijd tegen de gevangenissen reduceert en ontdoet van alle kracht.

Enkele kenmerken van deze presista-steun die het meest onze aandacht trekken zijn de volgende :

Idealisering, bijna mythificatie, van de ‘kameraden gevangenen’.
Tenzij we maar weinig criteria hanteren om iemand als kameraad te beschouwen zonder hem/haar zelfs maar te kennen (zou het zijn dat deze kameraden in onze ogen niet veel betekenen of dat we deze term al van alle inhoud ontdaan hebben), hebben we een stelselmatige idealisering kunnen opmerken van de individuen die, vanuit de gevangenissen, protesteren tegen de omstandigheden die opgelegd worden door de Uitroeiingsinstelling. Elke persoon wiens naam onderaan een communiqué staat is al in strijd. Elke persoon die een dag doorbrengt zonder te eten of zonder naar de binnenplaats te gaan is dat ook. Op deze manier, met onze onvergelijkbare verlangens om te groeien, hebben we lange lijsten opgesteld van ‘gevangenen in strijd’. Deze lijsten onthullen meer fictie dan uitbreiding, want toen we ze probeerden na te gaan, hebben we meer doorhalingen dan namen ontdekt.

Deze houding om adepten voor onze zaak te recruteren en hen te idealiseren is de erfenis van de verleidelijke wet van het aantal en de massacultuur. Voor de klassieke marxisten en de neo-marxisten (net zoals voor een aanzienlijk deel anarchisten) was de arbeidersklasse of het proletariaat de bijna mystieke entiteit die, onafhankelijk van was ze deed of hoe ze het deed, uit zichzelf, in essentie, revolutionair was. Op dezelfde manier zijn de gevangenen en de ‘kameraden gevangenen’ in het bijzonder voor de presista’s, zoniet revolutionair, dan op z’n minst per definitie rebellen.

Uiteraard zitten er een aantal anarchistische kameraden (en andere revolutionairen) in de gevangenis. Er zitten ook rebellen, individuen in strijd, bankovervallers,… Maar zij die er zitten zijn het niet allemaal, en zij die het zijn, zitten niet allemaal daar.

Deze verwarringen hebben ons ertoe geleid om de cijfers van de gevangenen die deelnamen aan de laatste collectieve hongerstaking schaamteloos op te blazen. En, als we nog wat verder zouden gaan : Waar zijn deze onverwoestbare strijders eens ze ‘vrijgelaten’ worden ? Wat doen ze ? Op welke manier zetten ze de strijd voort en hoe solidariseren ze zich met hun ‘broers en zusters gevangenen’ ? Zovele mooie woorden die bij het eerste briesje wind gaan vliegen…
Tot op welk punt is het rebels of revolutionair om te overvallen-stelen-onteigenen om in overvloed te ‘leven’ ? OK, akkoord, ze verkopen zichzelf niet voor een smerige job, ze prostitueren zich geen acht uur per dag, zelfs geen vier uur. Ze kunnen zelfs de haat tegen de Staat (en door hun verbondenheid, de gevangenis) koesteren, maar… de haat tegen het kapitaal, dat is al wat anders.

Praat met hen over het afschaffen van het verfoeide geld, en als jullie niet willen dat ze jullie dan snel naar de stront sturen, haast jullie dan om uit te leggen hoe ze altijd die mooie auto, die sjieke kleren en die fijne feesten zouden kunnen hebben.

Privé-eigendom aanvallen zou inderdaad kunnen betekenen dat men, bewust of onbewust, tegen sociale ongelijkheid is, maar we kunnen ons niet verschuilen in de illusie en geloven dat dat altijd het geval is. Misschien kan je de privé-eigendom wel aanvallen omdat je niet akkoord gaat met de huidige verdeling ervan (je zou dan dus gewoon een groter stuk van de taart willen), en niet om de eigendom of zelfs niet om de ongelijkheid te verjagen.

Nadenken om het geld te bemachtigen dat noodzakelijk is om ‘je zaak op te zetten en te leven van de opbrengsten’ wil niets anders zeggen dat de aanvaarding en het loven van de kapitalistische ideeën. En wat ons betreft is het duidelijk dat onze kameraden, gevangen of niet, rebellen en antikapitalisten zijn, nu al of in wording, en niet bourgeois in wording (zelfs als ze overvallen plegen in plaats van te werken). Die personen beschouwen wij zonder enige twijfel als onze vijanden, en dat ondanks het feit dat hun levens misschien triest en pijnlijk geweest zijn voor en na hun opsluiting in de gevangenis.

We verlangen er zo naar om talrijker te zijn dat we anarchisten zien waar er geen zijn. Je bent anarchist of revolutionair uit overtuiging, en niet omdat het goed uitkomt. Hoe eenvoudig en evident dat ook moge lijken, de vrienden en kameraden die zich in de gevangenis bevinden hebben ons er tientallen keren aan moeten herinneren. We hebben onszelf uitgerust met een bedrieglijke toverstok die, door eenvoudigweg nabijheid of contact, het etiket ‘anarchist’ uitdeelt alsof het een simpel adjectief was. Toen opgemerkt werd dat deze benoeming niet veel waard was en dat de ‘anarchistische massa’s in de gevangenis’ op geen enkele manier gesteund werden, werd beslist dat het ‘de massa’s sociale rebellen’ zijn die vandaag de dag de gevangenissen bevolken.

Idealisering, quasi mythificatie, van zij die de ‘kameraden gevangenen’ ondersteunen.
We hebben deze gevangenen niet alleen op een sokkel geplaatst ; we hebben er voor onszelf ook een plaatsje gereserveerd. Vandaag, om iets te betekenen of iemand te zijn in de presista-beweging, moet je schrijven met op z’n minst drie van de meest bekende en bewonderde gevangenen (en dus hun vriend of vriendin kunnen worden), op de loer liggen voor alsmaar meer informatie en niet minder dan x kaartjes per week sturen (we plaatsen hier maar geen cijfers omdat dit afhangt van de bekendheid van de bestemmeling in kwestie, bepaalde kaartjes kunnen er twee of zelfs drie waard zijn).

Zo kan je zonder enige problemen meespelen in het presista-spelletje (of het nu via vergaderingen, via kaartjes of via andere ‘steunpunten’ is) en surfen op de presista-pagina’s zonder te moeten vrezen dat je niet begrijpt over wat het gaat. Iedereen weet wie die of die is, in welke gevangenis hij of zij zich bevindt, wie gezien mag worden en wie niet, en zo bouwt de grote en gelukkige presista-familie, door ‘solidariteitsbanden te wezen’, zich uit. Als we geen broers of zussen zijn, zullen we neven en nichten zijn, ook als dat op een abstracte manier moet.

En dus vormen de ‘solidairen met de gevangenen’ een gedifferentiëerde (zelfs superieure) categorie van revolutionairen. Het is niet moeilijk om personen te ontmoeten die bevestigen dat de anti-gevangenisstrijd de onontbeerlijke hoofdstrijd is omdat de gevangenis de meest duidelijke vorm van onderdrukking door de Staat is. Wij weigeren een hiërarchie binnen de strijden aan te brengen, het systeem van overheersing steunt niet op één exclusieve pilaar. En het is pas doorheen een integrale-algemene confrontatie dat we mogelijkheden zullen krijgen om af te rekenen met wat ons van de vrijheid die we verlangen berooft.

Door de strijden op te delen, door ons te specialiseren in één bepaalde strijd en door het zicht op onze eigen navel te verliezen, zullen we niet ver geraken. Zij die de andere fronten volledig vergeten zijn, en er bewust of onbewust niets over willen weten, zijn geen uitzonderingen. Er zijn er die niet meer wachten op de revolutie omdat ze die nu al in de praktijk brengen ; en er zijn zij die er niet op wachten en ze niet in de praktijk brengen omdat ze niet meer weten wat ze willen na de afschaffing van de FIES, de vrijlating van ongeneeslijk zieken, het einde van de verspreiding… Wat gaan ze doen wanneer op een dag de muren gesloopt worden omdat de Staat geen nood meer heeft aan gevangenissen om de controle te handhaven ?

Er is geen vrijheid binnen de gevangenis, maar er is er eveneens geen buiten de gevangenis : of we veroveren de vrijheid volledig, of we zullen zelfs niet één muur gesloopt hebben.

Anarchistische ( ?) steungroepen voor gevangenen.
Anarchie of eerder assistentialisme ? Dit is vast en zeker het meest serieuze punt, en tegelijkertijd het meest trieste, omdat het het gebrek aan criteria van anarchisten bewijst om tot op het einde van de weg een strijd te voeren die coherent is met een theorie, maar vooral met een praktijk die ons eigen is en die reëel is.

Kennen jullie het verhaal van de enkele anarchisten die eraan beginnen in de veronderstelling dat ze schouder aan schouder met hun ‘broers en zusters gevangenen’ zouden kunnen strijden voor de VRIJHEID en uiteindelijk geld, telefoonkaarten, postmandaten sturen en communiqués verspreiden ? Dat was hun strijd, en het blijft de strijd van velen.

Wij hebben ons ingezet om bulletins, bladen,… te publiceren die, verre van communicatiemiddelen tussen personen te zijn en gebruikt te worden als een wapen dat de muren (eender welke) aanvalt en overschreidt, alleen maar persoonlijke vertelsels geworden zijn die niets aanbrachten en maar weinig schadelijk waren. En in het slechtste van de gevallen hebben ze gediend als contactbladen voor mensen van binnen naar buiten, en van buiten naar binnen.

De gevangenis is een instelling en daarom heeft ze publieke gezichten om haar te vertegenwoordigen en minder publieke gezichten die haar ondersteunen. Ze heeft gebouwen en infrastructuren. Ze heeft zovele facetten waar de anarchisten hun woede zouden kunnen doen voelen.

Wij zijn noch christenen, noch boeddhisten, noch presista’s. Wij willen gevangenen noch ondersteunen noch bijstaan. We wilen gewoon dat dit begrip ophoudt te bestaan, zowel buiten als binnen de muren.

Over familie- en vriendenkringen.
We hebben al gezegd dat we ons verzetten tegen de gevangenissen vanuit een perspectief dat ons eigen is. En dat gaat op noch voor de associaties voor de Mensenrechten, noch voor de verschillende coördinaties, noch voor andere NGO’s.

Sommigen stellen dat we ons moeten verenigen met de families van gevangenen en zo een ‘sociaal netwerk’ creëren dat misschien zou gelijken op dat wat heeft kunnen bestaan in de tijd van de COPEL. Er zijn er nog anderen die zeggen dat we ons kunnen inzetten om fondsen te verzamelen om de families van gevangenen die er nood aan hebben te helpen.

Maar nee, wij zullen niets van dat alles doen omdat we, onvermijdelijk, aan de kant staan van zij die de confrontantie met deze stand van zaken (inclusief de gevangenis) aangaan, of het nu vrienden of gevangenen zijn, of ze nu familie binnen hebben of niet. Onze cirkel, onze clan, onze mensen zijn zij die met ons de weg van begin tot einde willen afleggen, en niet zij die halverwege zullen blijven staan wanneer ze erin geslaagd zijn de gevangenis te verzachten en te democratiseren, of wanneer hun kind-broer-zus-vriend-vriendin uit isolatie komt, in een meer nabije gevangenis geplaatst of vrijgelaten wordt.

Wij willen zij die de gevangenis niet wensen voor hun verwanten maar zich geen vragen stellen voor anderen (of zij die denken dat het de terroristen zijn die binnen moeten zitten, zonder daarmee Staat-kapitaal te bedoelen) niet aan onze kant hebben.

En wat ‘families’ betreft : waren we als anarchisten niet voor de vernietiging van de familie als onderdrukkende, beperkende en opgelegde instelling ? Of stellen we dat uit tot na het einde van de gevangenis ?

Reële of fictieve communicatie ?
Een ander bizar aspect van het presismo is haar concept van communicatie. Voor de presista’s staat iemand kennen of in contact staan met iemand gelijk met van tijd tot tijd een bladje te schrijven met vier (of vierhonderd) lijnen die nietzeggend zijn, zonder iets anders te delen dan de typische zinnen die waarschijnlijk komen van modelkaartjes die aan het begin van deze ‘strijd’ moeten uitgedeeld zijn. Schrijven uit verplichting brengt niets aan, noch aan diegene die schrijft, noch aan diegene die ontvangt. Het zijn de reële relaties die versterkt moeten worden, de relaties die verder gaan dan voorstellingen en het uitwisselen van ideeën en zich kunnen ontwikkelen tot medeplichtigheid, kameraadschap en/of vriendschap. Er zijn zovele zaken die we met elkaar kunnen delen en waar onze strijd versterkt zou kunnen uitkomen

Daarnaast is er ook nog dat wat al niet meer tot communicatie behoort : het veralgemeende geklets. Er valt niet veel meer te zeggen dat nog niet gekend is. Deze roddels hoeven niet onder te doen voor de televisiefeuilletons. Zoals we al zeiden, komen we allemaal te weten wie bevriend is met wie, wie niet gesteund mag worden, wie de vriend/vriendin van die is,… Maakt dat ook deel uit van de presista-strijd ?

Laten we de gevangene met zijn omstandigheid als opgeslotene demystificeren, omdat deze omstandigheid niets anders is dan iets wat de Staat opgelegd heeft. Dit individu is voor alles (ook als zijnde gevangene) een INDIVIDU en daarom zal hij of zij haar ideeën, onzekerheden hebben. Op die basis zullen we al dan niet onze affiniteiten en medeplichtigheden baseren.

Laten we de ‘anti-gevangenisstrijd’ demystificeren. Het grootste deel van de tijd gaat deze strijd niet verder dan steun en beantwoordt ze meer aan caritatief sentiment voor diegene die ze beschouwd als zwak of als zonder verdediging, eerder dan aan een reëel verlangen om de penitentiaire instelling en de stand van zaken die haar nodig maakt te vernietigen.

VIVA L’ANARQUIA !

Enkele ex-presista’s (aan beide zijden van de muur)

December 2002

(1) Presismo: komt van Spaanse preso (gevangene), te vertalen als gevangene-isme. Voor deze tekst werd gekozen om de term presismo te bewaren. De ‘aanhangers’ van presismo zijn dan de presista’s.

Een brief van Amanda

[…] Ik wil dat niemand door angst verlamd wordt, dat niemand zich ‘inhoudt’, zich ‘beheerst’, de ‘methode’ verandert, ‘gebruik maakt van een andere taal’, ‘nieuwe wegen zoekt’; niets van al die onzin. Ik heb het volste vertrouwen in de werktuigen die het anarchisme sinds haar ontstaan gebruikt heeft. Iemand die geen moeilijkheden wil moet het anarchisme maar verlaten en bij de padvinders gaan. Anarchist zijn wordt altijd bestraft, overal waar de onrechtvaardigheid geïnstitutionaliseerd is - altijd.

[…] Je moet niet aan de straf denken om al dan niet tot actie over te gaan. Onze beslissingen mogen niet beïnvloed worden door de mogelijke reactie van de politie, van de rechters, van de pers,… Dit zou immers betekenen dat we hen een deel van onze beweging laten zijn. En dat kunnen we niet laten gebeuren. Onze doelen mogen niet omgeleid worden, door niemand en door niets dat niet uit onszelf voortkomt.

[…] Zoals in het liedje: dat wat me het meest bang maakt is dat alles bij het oude blijft. Of zoals in een ander liedje: verwacht niet dat de dingen vanzelf komen, zonder jou zal er niets veranderen.

[…] Ik hoop dat wat ik jullie verteld heb jullie op één of andere manier kan helpen. Jullie steun maakt me sterk. Ik weet dat ik niet alleen ben. Mijn cel is te klein voor jullie, voor al die menen die met me zijn.

Hoe was het ook al weer? De anarchie is onvermijdelijk…

TERRORISTA, TU PADRE ! (1)

Amanda
vanuit de gevangenis van Alcala
20 juli 2003

[Vertaling overgenomen uit “Wij vragen geen toestemming om vrij te zijn”, Dossier over anti-gevangenisstrijd en de repressie van anarchisten in Spanje, 2000-2003, ABC-Gent]

(1) Tu padre: Spaanse belediging, niet echt vertaalbaar. Te vergelijken met het Franse ta mère en het Nederlandse uw moeder. Dat ieder het zijne er maar van maakt.

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License