Laatste Deel Van Vernietig Het Werk

Een miljoen jobs

Wat zou zo’n belofte kunnen betekenen in de tijd van de collectieve illusies aangewakkerd door Berlusconi’s electorale propaganda? Praktisch gezien? Niets. Niet omdat het onmogelijk is, maar omdat het tegen de economische logica zelf ingaat.

Een woordje uitleg.

In het kapitalisme is arbeid een koopwaar, en omdat het is afgeleid van een activiteit die wordt uitgevoerd in ruil voor een loon wordt de mens zelf koopwaar. Een arbeidsmarkt bestaat dus wel degelijk. Arbeid heeft een prijs (lonen) en er is een directe relatie tussen een tekort aan werk (werkloosheid) en het niveau van de marktprijzen.

Lonen zijn de kosten voor een van de belangrijkste elementen van de productie (arbeidskrachten). Lonen hebben ook een belangrijk effect op alle anderen. Dus, in abstracte termen: hoe hoger de werkloosheidsgraad, hoe lager de lonen en hoe groter de inflatie (alle marktprijzen dalen). Allemaal theorie tot nu toe. Binnen dat theoretische model zouden de bazen – die letterlijk de levens van de arbeiders kopen – ertoe verleid worden de mogelijkheid tot werkloosheid te reduceren. Geen miljoen jobs beloven, en dus minder producenten betalen en meer verdienen op elk item dat de fabriek verlaat.

Maar twee dingen verhinderen dit. Het eerste bestaat eruit dat een reductie van de werkloosheid zou leiden tot een reductie van de lonen. Maar met diezelfde lonen kopen de arbeiders waren, en zouden de verkoopscijfers dus dalen. Een stijging van de inflatie (het resultaat van gestegen werkloosheid) zou de verkoopscijfers doen dalen (er is geen geld meer om nog te kopen). Dan zou een stagnatieproces in gang worden gezet dat het kapitaal zou beginnen vermoorden. Het tweede element is dat mensen die werkloos zijn (en dus ook geldloos) wat onrustig worden. Eerst probeer je bij te blijven, dan rebelleer je. En rebellie bedreigt de sociale vrede, brengt de toekomst van alle productie in gevaar, verhindert investeringen, schept paniek bij de kopers,…

Daarom worden jobs beloofd. In de eerste plaats om meer waren te verkopen, in de tweede plaats om rebellie te voorkomen.

Maar is het een redelijke belofte? Vanuit politiek standpunt wel, maar ook maar tot op een zekere hoogte. ‘Artificieel’ werk werd lang voor de grote paniek van 1929 uitgevonden. Werkhuizen bestonden al voor de 18de eeuw (in Groot-Britannië natuurlijk, ,waar anders?), waar de baanlozen verplicht werden om forten te bouwen en wegen aan te leven voor een overlevingsloon. Zo’n reductie tot slavernij is vandaag de dag ondenkbaar, maar sociale zekerheid verveelt de mensen, plaatst hen in een conditie van permanente dwaasheid. Meer nog. Met de gestegen productiecijfers die zorgen voor meer producten op de markt waar dus meer aankoop door producenten nodig is, blijkt assistentie alleen niet genoeg om te voldoen aan de vraag (het zou niet genoeg verkoop van alle geproduceerde goederen garanderen). Iets anders is nodig, en het kapitaal van de jaren ’90 staat nog steeds op de uitkijk.

Daarom praten ze over een miljoen jobs in Italië. Zelfs al beantwoordt het niet aan de realiteit. Het heeft een ander doel.

Eerst en vooral dient het om de verdedigingslinies van de oude arbeidersaristocratie op basis van vaardigheid te doorbreken. Flexibiliteit en mobiliteit breekt het oude fabriekverzet, zelfs in termen van looneisen. Dit leidt tot de verdwijning van elke oppositionele capaciteit van de vakbonden. De vakbonden zijn gereduceerd tot eenvoudige doorgeefluiken voor de wensen van de bazen.

Ten tweede ondersteunt het de vraag, en laat het het volledige gebruik van de technologische capaciteit toe voor de diversifiëring van de aanvoer. Welk nut zouden de nieuwe productiebanden waar producten (bijvoorbeeld een auto) kunnen afgestemd worden op persoonlijke behoeften hebben als er geen vraag was naar dit soort producten? Sociale zekerheid verzwakte opstandige instincten, maar het was niet in staat om nieuwe horizonten van productie te verkennen.

Ten derde zijn deze jobs niet ‘nieuw’, maar kunnen ze gevonden worden in het veld van de jobs die al bestaan via verschillende procedures – van vroege pensioenen tot gereduceerde werkuren, gecontroleerde overtijd, belastingsverlaging, staatsfinanciering,…

Tenslotte, met een stap terug van het perspectief van rebellie, worden mensen gedropt in een een labyrint van spiegels en illusies.

Er lijken links en rechts mogelijkheden te zijn, onbestaande uitwegen. En dit waanzinnige, voortdurende ronddwalen leidt niet naar een verlangen om de muren van het labyrint af te breken, maar naar blijven wachten tot er iets gebeurt. Zoals nieuwe illusies de oude opvolgen.

Het enige dat kan gebeuren is dat nieuwe, aantrekkelijkere en meer complexe raadsels die moeilijker op te lossen zijn het podium beklimmen.

Of de vernietiging van alles.

[Un millione di posti di lavoro, in ‘Canenero’, n°19, 17 maart 1995.]

Vaarwel aan eisen

Vakbondsvertegenwoordiger Larizza van de UIL zei het tien jaar geleden al: schaar je achter de Duitse vakbonden, vraag participatie in beslissingen. In die tijd lachtte Carnetti, zich bewust van de strijdtraditie van de Italiaanse vakbonden (in Duitsland zijn er geen noemenswaardige stakingen meer geweest sinds 1956), geringschattend. Vandaag zijn ze het over deze grote stap allemaal eens. De Italiaanse vakbonden willen zichzelf omvormen tot holdings zoals hun Duitse collega’s. Ze willen niet alleen gewicht kunnen leggen in de schaal van de bedrijfsbeslissingen, maar ook aandeelhouders worden en zelf eigenaars worden van bedrijven en vastgoed.

CSIL-leider D’Antonio heeft ooit gezegd dat in een globale economie competitie en internationaal concurrentievermogen de looneisen verzwakken. De fabriek moet ademen, anders zouden we wel eens kunnen terugkeren naar de situatie van de jaren 50, zoals gebeurd is in het geval van de Engelse mijnwerksters in hun strijd tegen Thatcher. Conflict, zo gaat D’Antonio voort, bestaat nog steeds, maar het heeft zich verplaatst van de straat naar de bureaus van de directeurs. Het gewicht van de herstructurering wordt zo, doorheen co-management, gelijk verdeeld. Dwang en kracht moet achterwege gelaten worden in de onderhandelingen, stelt Larizza. Volgens hem moet het nieuwe participatorische model verbreed worden van de fabrieken tot de lokale instellingen die instaan voor het management van stedelijke gebieden, investeringen in het Zuiden,… Tot slot wijs CGIL-leider Cofferati erop dat de gevaren van de zogenaamde Japanse oplossing moeten vermeden worden: directe samenwerking tussen werkneemsters en bazen. Participatie, zegt hij, moet gefilterd worden doorheen de vakbond.
Zoals we kunnen zien is, ondanks een aantal verschillen, de schets van de vakbond vrij compact. Elk overblijfsel van strijd in de straat, elk conflict gebaseerd op stakingen en schade aan de werkgever, hoe geïsoleerd ook, moet voor altijd achtergelaten worden. Participatie betekent het maken van beslissingen samen met de eigenaars. Het is beslissen over wat de ‘technische problemen van het bedrijf’ worden genoemd, dus over de ideale compositie van de elementen van productie: kapitaal, machines en arbeid. Het resultaat, als het al niet identiek is aan het Duitse model van min of meer complete sociale pacificatie, gaat in ieder geval in die richting.

Een belangrijke vraag dringt zich op. Zolang de drie grote confederatievakbonden ageerden op het niveau van het eisen, hadden autonome basisvakbonden zoals de COBAS met hun slogan van directe strijd nog een bestaansreden. Zij vertegenwoordigden de mogelijkheid voor ontwikkelingen in het veld van directe actie, sabotage en maximale schade aan de bazen. In feite waren de bazen nog steeds bang in het besef dat, zelfs binnen het kader van min of meer serieuze botsingen, deze mogelijkheid niet volledig kon worden uitgeschakeld. Zo’n functie heeft vandaag de dag geen zin meer. Nu de grote vakbondsorganisaties weigeren om nog langer in de logica van het eisen te blijven, is het onmogelijk voor de minderheidsvakbonden om dit alleen vol te houden. Uiteindelijk zouden ze al hun strijdpotentieel opgebruiken voor het simpele stellen van eisen.

Laat me dit iets duidelijker uitleggen. Wat ooit de structuren van deze minderheidsvakbonden karakteriseerde, waren de methodes die zij gebruikten. Alleen de doelen (eisen in plaats van participatie) zouden overblijven, jammer genoeg bevestigend dat eisen stellen tegenwoordig al genoeg is om ‘verder dan de vakbonden’ te gaan, en dus in een schril contrast staat met de denkwijze van de drie grote vakbonden.

Deze minderheidsvakbonden lijken daarom bestemd te zijn voor de oppervlakkige en betekenisloze rol van het eisen. Oppervlakkig omdat het niet past bij de evolutie van de economie (zoals de vakbonden die begrijpen); betekenisloos omdat de minderheidsvakbonden (met al hun pseudo-revolutionair gebabbel) noch verlangen naar, noch in staat zijn om gebruik te maken van methodes die enkel kunnen bereikt worden in de aanwezigheid van een aanzienlijke sterkte die nog steeds schuilt in de grote massaorganisaties ondanks al hun beperkingen.

En elke structuur die haar functie verliest, zelfs de smerige functie om iemands staart vast te houden, is gedoemd te verdwijnen.

[Addio alla rivendicazione, in ‘Canenero’, n°11, 20 januari 1995.]]

De betekenis van een betekenisloze gebeurtenis

Een miljoen of vijf miljoen mensen komen op straat. Is zo’n gebeurtenis van enig belang als je de cijfers eraf laat? Ik denk van niet. Ver weg van de oude Soreliaanse mythe is een algemene staking op zichzelf geen antwoord van de uitgebuitenen op de intenties van de Macht.

Het betekent waarschijnlijk zelfs iets helemaal anders. Laat ons eens onderzoeken waarom.

Eerst en vooral is het een teken van de capaciteit van de personalistische politiek die tegenwoordig wordt geregenereerd om miljoenen mensen op straat te krijgen. Een politiek drukkingsmiddel in de handen van mogelijke nieuwe machtsbases om samen te werken met de oude of ze te vervangen. Er zou niets veranderen. Vanuit het gezichtspunt van het management van publieke uitgaven – absoluut niet van secundair belang – kan er geen andere oplossing zijn dan (grotendeels tijdelijk) in de zakken van de rijken te zitten, en niet alleen die van hoog aanzien, maar ook zij die zichzelf op de achtergrond houden. Kan een politieke klasse, hoe nieuw en wereldvreemd ook tegenover consessies uit de eigen zakken, daarin slagen? Nee, dat kan ze niet. Waar vragen deze miljoenen mensen in de straat dan eigenlijk naar? Tot welke machtsspelletjes lenen ze zich –bewust of onbewust ?

Het is duidelijk dat er geen collectieve aanwezigheid is in de verschillende regio’s van Italië die losjes verenigd waren in de algemene staking. We kunnen dus niet argumenteren alsof het gerelateerd was aan één individu of een groep van individuen. Toch moet er toch iets van diezelfde aard gezegd worden.

De belangrijkste aanwezige, hoewel niet uniform of homogeen, zijn de loonklassen die bang zijn hun jobs te verliezen. Zij die nu al zijn uitgesloten (en bestemd zijn voor herhaaldelijke of blijvende werkloosheid), de jonge aanwezigen (verlangend naar vaste jobs, en daar naar zullen blijven verlangen), de gepensioneerden (die de enkele rechten die ze hadden aan zich ontrukt zien worden) ondersteunen de vakbonden en de linkse partijen die wanhopig een plaatsje zoeken in de oppositie. Die laatsten zullen misschien die mogelijkheid krijgen, met de goede winkeliersmentaliteit van allen die geloven dat de dingen kunnen rechtgezet worden (eerst mét Berlusconi, en nu zonder hem). Ze hebben Fini’s fascisten in de ministeries gebracht, samen met Bossi’s idioten en Berlusconi’s technocraten en beeldmanipulatoren, en hebben daar nu spijt van. Ze proberen druk uit te oefenen door hun bezwaren te tonen. Dat zou allemaal wel eens nuttig kunnen zijn voor de nieuwe oppositie als ze erin slagen om een eigen identiteit te vinden. Maar hoe zou het ook maar iets kunnen betekenen in termen van de realiteit die kan, en ja, radicaal moet, veranderd worden?

Door dienstbetoon aan politici die er zijn uitgesmeten, ervan uitgaande dat zij zoveel gedoe verdienen? Natuurlijk niet. De middelen zouden wat anders moeten zijn.

Laten we de vraag beperken tot de straten, want dat is waar we hier over praten. De uitkomst, of op z’n minst de bezigheden van de regering, zou heel wat anders zijn geweest als ze geconfronteerd waren met situaties zoals in de dagen van de Piazza Statuto of Reggia Emilia (waar betogingen uitdraaienden op rebellie, waarop de politie op de massa schoot). Niet dat massageweld op zichzelf – in de vorm van botsingen met de politie – het belangrijkste middel is. De resultaten toen waren ook voorspelbaar. Wat we willen zeggen is complexer. De boodschap draagt haar eigen lot in zich. Als methode heeft de betoging op zichzelf geen toekomst meer, omdat een betoging er grotendeels op gericht is druk uit te oefenen op de regering om een verandering van de heersende politieke klasse te bekomen. De directe botsing is een volledig andere methode, ook al kan die ook geblokkeerd, gerecupereerd of verslagen worden met de list van beloftes of brutale repressie. Maar dat is een andere vraag en opent een andere breukperspectief.

Directe botsingen zouden voor de ijselijke Berlusconi zeker moeilijker te recuperen zijn met een glimlach op z’n gezicht.

Hij zou z’n mouwen moeten opstropen. En dan zou het ene tot het andere kunnen leiden, en zo altijd maar verder…

[Il significato di un evento insignificante, in ‘Canenero’, n°1, 28 oktober 1994.]

Wereldoverheersing in een paar woorden

Het tijdperk van de tegengestelde kampen is voorbij. We zijn nu het tijdperk van de éénmaking binnengetreden. We worden allemaal ingelijfd onder éénzelfde vlag. Als de wereld ooit al geörienteerd was naar twee tegengestelde illusies, die bij nader inzien alles behalve verschillend bleken te zijn, dan wordt iedereen nu geroepen om zich te verenigen onder hetzelfde algemene werkwoord. Genoeg gepraat en geblaat! Enkele woorden, duidelijk en ondubbelzinning, volstaan. Iedereen weet wat ze moet doen en waar ze in moet geïnteresseerd zijn.

Een vormeloos en wak geheel heeft de plaats ingenomen van de ‘sterke’ ideologieën van gisteren. Possibilisme en flexibiliteit, onzekerheid en twijfel zijn in de plaats gekomen van de ideologische zekerheden die zichzelf veranderen in het aanschijn van het concentratiekamp. De ideologische zekerheden van vroeger waren gelijkelijk bestemd voor sociale orthopedie, dat wil zeggen, de schepping, met de zweep, van een mensheid die geschikt is voor de omstandigheden die worden gedicteerd door de productierelaties.

Nu wordt elk idee dat ook maar een beetje verschilt van de rest snel teruggefloten om aan de noden van de markt te voldoen. Ideeën worden verpakt in veelkleurige cellofaan en verkocht, eerst als nieuw modeproduct, later als afdankertje tijdens de solden. De media-experten dirigeren de gedachtencontrole en concurreren om meningen te produceren, waarbij ze elk origneel idee, elk verlangen om ‘echt anders’ te zijn, de grond inboren. Het is verbazingwekkend achter het possibilisme het oude bedrog nog even intact te ontdekken: de arrogantie van de doctrinairen, baronnen van de nietigheid, vazallen binnen de grenzen van haagomheining. Voorbij de haagomheining vormt alleen de angst voor het onbekende een rem op de stoten van de massa’s die uitgesloten zijn van elke mogelijkheid tot interventie.

Op globaal niveau gebruikt een kleine minderheid van gepriviligeerde mensen hun macht alsof ze opgesloten zijn in een middeleeuwse burcht. Ze bouwen muren om hun belangen en economische macht te verdedigen. Muren van linguïstische en technologische keuzes die beweren ‘universeel’ te zijn, als waren ze een basis voor groei en algemene verbetering, voor de bevrediging van de universele belangen van de mensen – terwijl het niet meer is dan een defensieve omwalling. De insiders, zelf slaven met gouden kettingen die altijd muurvast geketend zitten aan de belangen van de bazen, blijven groeien in hoogte en sterkte, de barrière wordt hoe langer hoe meer onoverkomelijk.

De echte machtscentra van vandaag zijn de grote internationale banken, de centrale kredietbanken, de Europese Commissie, de managers van de algemene akkoorden over handelstarieven (GATT), het Internationaal Muntfonds (IMF),… De informatiekanalen die deze macht tezamen houdt en haar richtlijnen, vertaald in programmadenken en -handelen, doorgeeft, zijn: The Economist, The Wall Street Journal, The Financial Times, Far Eastern Economic Review, Les Echoes, Reuter Agency,… De mensen die daar werken zijn slaven, maar slaven met bepaalde privileges. Ze troepen samen in de universiteiten waar het addergebroed van economisten zichzelf part-time prostitueren; in kranten en besprekingen waar ambivalente waardeloze journalisten onwetendheid en idiotie verspreiden; in politieke partijen en vakbonden waar vermoeide zombies oude slogans recycleren waarmee ze de grote massa toehoorders het idee geven dat ze hun eigen ideeën kunnen kiezen naargelang hun eigen belangen.

Politieke economie lijkt de koniging van de wetenschappen te zijn geworden. In elk domein dat we hierboven genoemd hebben spuien de politieke economisten voorspellingen en analyses, bestuderen ze trends en indexnummers, analyseren ze curves en vergelijkingen. Elke directeur van een centrale bank vindt zichzelf best wel een groot economist en, steunend op z’n eigen reserves, probeert hij de wet te dicteren aan de andere Staten als het over geldzaken gaat, alsof dat überhaupt al mogelijk is – iets dat gewoonweg absurd is in de economie, misschien zelfs meer dan ergens anders. De waas van belachelijkheid die rond belastingmaneuvres hangt kan alleen maar vergeleken worden met de belachelijkheid van het concept ‘inkomen per hoofd’. Als het kapitalisme ‘de natuurlijke stand van zaken is in de maatschappij’, zoals Alain Minc onlangs zonder enige ironie stelde, dan is deze ‘natuurlijke’ stand in ieder geval belachelijk.

Denk maar eventjes aan het concept van de markt: al gauw blijf je met niets tastbaars meer over. Wat corrigeert de markt? Wat proberen haar hersenschimmige wetten op te lossen? Hoe kunnen we de wetten van de markt leren kennen? Hoe kunnen we de markt zelf leren kennen? Vele jaren terug werden de twijfels van de Franse economisten nog op school aangeleerd, en de leraars aanvaardden verschillende verwardheden met een houding van zelf-belangrijkheid. Vandaag blijft er niet het minste spoor van deze oude en nog steeds valabele twijfels over in de extreem gesofisticeerde bewerkingen van de laatste generatie economisten.

Verdomme! Waarom zou competitie onze levens verbeteren? Waarom zou het de productie doen stijgen en niet eenvoudigweg de grootste en beter georganiseerde bedrijven bevoordelen? Hoe zou vrije uitwisseling synoniem kunnen zijn met vrijheid, zij het alleen economisch, ware het niet dat er ergens op deze aardbol een grote meerderheid van armen is die de gevolgen van deze zogenaamde vrijheid moet torsen? Waarom zou de veralgemening van het productiesysteem de werkomstandigheden verbeteren terwijl parallel daaraan een drainage van elke echte klassentegenstelling plaatsvindt? Waarom zou een sterke munt het fundament vormen voor economische stabiliteit? Hoe garandeert privatisering een sociale verbetering en niet gewoon verbetering van de belangen die gedirigeerd worden door de dominante minderheid?

Het staat buiten kijf dat vandaag de dag geen enkele economische maatregel ook maar iets kan garanderen voor de gehele menshied. De rest moet zich maar aan de gereduceerde en verarmde levensomstandigheden die hen worden aangeboden aanpassen. Nochtans is deze onvermijdelijke realiteit opgesmukt met de ideologische make-up van de contemporaine economische en wetenschappelijke theorie: de realiteit wordt verpakt en verkocht als dé manier om te ontsnappen aan de greep van ideologie en slavernij.

Opnieuw doemen harde tijden op aan de horizon.

[Il dominio del mondo in poche parole, in ‘Canenero’, n°12, 27 januari 1995.]

Terug naar eerste pagina

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License