Naar een post-industrieel kapitalisme

De overgang naar post-industrieel kapitalisme is nog niet volledig. Het is een moeilijke weg die nieuwe contradicties, die de voorgaande vormen van uitbuiting die massa’s mensen vast pinden op de werkvloer heeft overstegen, voortbrengt.

Het weinige dat nog overblijft van de traditionele arbeidskrachten wordt nog steeds afgebouwd doorheen vroege pensioneringen en afdankingen. Zij die er toch nog een plaats vinden, worden medeplichtig gemaakt aan een productieproces dat niet-staken deals en zelfs geen vakbondsaanwezigheid vereist.

De rest van de uitgebuitenen zijn een mobiel leger geworden van onderbetaalden, ongeschoolde werkkrachten, studenten en werklozen. Elk individu adopteert nu en dan afwisselend deze verschillende rollen, zonder zicht op de horizon, tegenover een toekomst van vage vragen waarop schijnbaar geen antwoorden bestaan.

De afwezigheid van de grote militaristische fabrieken heeft geleid tot een massale inlijving in recreatiecentra, voetbalstadions, disco’s, mega-concerten, etc., om de frustraties en verlangens van deze hedendaagse slaven te verdunnen en te kanaliseren. Tot op zekere hoogte slagen ze daarin, maar de beheersing is lang nog niet volledig. Het geweld op het platteland, de rellen in de binnensteden en het voetbalhooliganisme zijn de arena’s waar enkele van de diepere contrasten van dit project van sociale en culturele annihilatie en de blinde ongerichte strijd om ‘te zijn’ zichzelf uiten.

Het is duidelijk dat de opkomende nieuwe structuur van het kapitaal ook de omstandigheden van de strijd herschikt. Het doel van de Staat is om de strijd impotent te maken, maar het niet-elimineerbare feit van de uitbuiting maakt dat onmogelijk.

Wat wel geëlimineerd wordt, is het oude concept van strijd binnen de fabriekspoorten. Op z’n best is die nu buiten de muren aan het plaatsgrijpen, nadat de sleutel is weggeworpen. Dat betekent niet dat de strijd overbodig is geworden. Het betekent dat we onze ogen moeten openen om te zien waar de strijd echt plaatsvindt. Eveneens betekent dit niet dat de strijd aan de fabriekspoort haar validiteit is verloren, want dat heeft die strijd niet als ze wordt weggerukt uit de onderhandelingslogica van de vakbonden en gelinkt wordt met het hele sociale proces. In deze context refereren de anarchistische dromen van de opbouw van enorme organisaties om de productiemiddelen te kunnen onteigenen en ze sociaal te gebruiken ten voordele van iedereen naar een realiteit die niet meer bestaat. Ze zijn gebaseerd op een sentimentele link met het verleden en hebben niets te maken met wat er vandaag gebeurt of met wat er morgen zal gebeuren. Het kapitalistische systeem vandaag de dag overnemen zou het erven zijn van een militaire, op de dood gerichte structuur die nooit ‘goed sociaal gebruikt’ kan worden. Ten eerste, omdat we niet beschikken over de taal waarmee we het kunnen gebruiken. Ten tweede, omdat er geen goed gebruik bestaat van een data- en informatienetwerk waarvan het enige doel macht en de accumulatie van kennis, verbonden met technologie, is. Al het andere is marginaal en ondergeschikt aan dit project. Er rest ons niets dan het allemaal te vernietigen, en vandaar een nieuwe wereld met de mens als referentiepunt op te bouwen.

Het flankeren van vakbondsconflicten die voortkomen uit de herstructurering van het kapitaal zonder een nieuw element binnen te brengen in deze conflicten dat ze voorbij haar uitsluitend politiek karakter voert, kan alleen maar de illusies die bestaan onder hen die een hoge prijs aan het betalen zijn voor hun nieuwe miserie voeden. Kameraden die deze strijden als de gepriviligeerde sector voor interventie beschouwen en er zich kritiekloos in engageren, dragen een aanzienlijke verantwoordelijkheid.

Er zijn verschillende factoren in het spel: illusie, onwetendheid, een schuldgevoel, de weigering om de nood aan analyse in te zien, de nood om de onmiddellijke voldoening van het slaan van een aantal flikken te voelen, enzovoort.

Een andere reden is het conformisme binnen sommige delen van de beweging met een soort van arbeideristisch fundamentalisme dat kameraden reduceert tot de rol van het naspelen van een parodie van de partijpolitiek, met het verschil dat ze minder efficiënt zijn en zich inschakelen in andere (maar net zo rigide) regels van gedrag en gewoonte.

Ze veroordelen acties van individuen of kleine groepen als ‘irrationeel’ of ‘elitair’. Op deze manier krijgt een preventieve censuur een plaats binnen de beweging, als poging om te verzekeren dat de orde binnen de rangen bewaard blijft, dat er niets zal gebeuren dat het redelijk gepland, pijnlijk en gestructureerd spook dat op een of andere manier, hoe dan ook, ooit, de mensheid naar de nieuwe wereld van vrijheid en creativiteit zal brengen, dooreenschudt.

Daarnaast zijn er zij die wel handelen, die wel de waarde van de kleine groep, de simpele actie, de overtolligheid van een organisatie zonder actie weten te erkennen. Deze groepen hebben een aanzienlijke methodologische bijdrage geleverd aan de strijd. Wat ze ontbreekt, is een sociaal en klasseperspectief waardoor hun acties, hoe goed ze ook gepland zijn en hoe effectief ze ook blijken te zijn in de onmiddellijke zin, in de logica van het reformisme vervallen. En dit valt te wijten aan de traagheid van begrip van kameraden die de strijd zien als een single issue, een deelstrijd. We kunnen hier het actieve deel van de feministische beweging, de anti-nucleaire activisten, de ecologische directe actiegroepen, de dierenbevrijdingsgroepen, radicale homoseksuelen,… aan toevoegen. Langs de ene kant vrezen we de vrijheid om beslissingen te nemen en op eigen initiatief en verantwoordelijkheid te handelen. Langs de andere kant vrezen we de opbouw van een radicale kritiek van het geheel van sociale relaties. Er is niets ‘abnormaal’ aan deze angsten. Ze zijn een meer dan normaal product van de kapitalistische samenleving. Ze kunnen overstegen worden. Niet allemaal tegelijk. Maar de constructie van het zelf dat ons ontstolen is kan alleen maar door nu te handelen, in een perspectief van revolutionaire totaliteit, tot stand komen.

Editoriaal uit Insurrection 5, 1988.

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License