Nabeschouwingen

Wij partizanen, wij bandieten !


De vervolgden zijn niet diegenen die jullie zien
in de kranten of op de podia.
Jullie kunnen ze niet zien.
Ze zitten opgesloten in duistere gevangenissen,
met een lege maag,
geslagen door de wetten en de machtsmisbruiken.
Jullie houden ze ver uit het zicht
en zij beleven zwarte seizoenen,
tussen de ruïnes van de waardigheid.
Maar, vrij in gedachten,
zelfs met hun kelen die opengereten zijn
door de stilte en de eenzaamheid,
zullen jullie ze levend zien,
bereid om de wereld die geboren wordt te verdedigen. *

Mijn verhaal is het verhaal van mijn kameraden. Mijn verhaal komt overeen met dat van vele andere partizanen die in de nasleep van de Bevrijding in de gevangenissen beland zijn. De dronken dagen van hoop, van gelach en vreugde waren voorbij. Wij staan terug op ons beginpunt, gedesoriënteerd, zonder een cent en blootgesteld aan de klappen van het lot. Zo hebben we beslist om zoals tevoren verder te vechten, tegen de oude en de nieuwe bazen. We sluiten geen enkele slag uit.
In de ogen van diegenen die ons ‘kameraden’ noemden voordat zij de macht grepen zullen we opnieuw bandieten zijn. Het fascisme draagt nieuwe kleuren, de kleuren van de nieuwe partijen: van de Christendemocratie tot de socialistische en communistische Partij. Het Verzet is in rook opgegaan, voortaan in hoofdletters gegraveerd in de Grondwet van deze sociale-burgerlijke republiek.
De libertaire idee, die een grote rol gespeeld heeft in het reële Verzet, werd door de nieuwe bazen en regeerders in de ban gedaan. Maar geen enkele daad van heroïsme en opoffering voor de sociale bevrijding van de kameraden in de strijd tegen de nazifascisten zal verloren gaan.
De herinneringen leven, zoals de folteringen en alles wat we in de nazikampen ondergaan hebben. Onze doden zijn talrijk en anoniem. Zij die in het Verzet zaten hebben niets bekomen omdat ze niets anders vroegen dan de vrijheid en de solidaire en wederzijdse gelijkheid tussen de mensen. Het geld heeft nooit waarde gehad in de morele code van deze mensen: dat is wat ik tijdens de partizanenstrijden geleerd heb.

Ik was de jongste gappista (1) van Italië. Ik was 16 jaar toen ik me aansloot bij de clandestiene communistische partij. Tijdens het verzet ben ik uit de Partij gestapt. Ik was te rebels, ik kon discipline noch hiërarchie verdragen, mijn liefde voor de vrijheid was te groot voor de beperkingen die een partij eist. De libertaire idee, die ik op een bepaalde manier altijd gekoesterd heb (mijn oorlogsnaam die ik mezelf gegeven heb getuigt ervan: il Monello [de schalk, deugniet]), werd mijn filosofie en levensstijl.
De ontmoeting met de anarchist Giovanni Mariga gaf een definitieve wending aan m’n leven. Hij werd Padovan genoemd, en was min of meer even oud als mijn vader.
Onze ontmoeting/confrontatie, in het gebergte tussen Toscanië en Emilie Romagne in de loop van 1944, was erg heftig. Ik stond voor de eerste keer tegenover een man die rebelser en ‘meer capabel’ leek dan mezelf. Hoewel hij een nors man van weinig woorden was, enkel toegewijd aan de actie (hij hield ervan om plannen te maken met een revolver), bezat hij een uitzonderlijke menselijkheid die zich ten volle uitte in zijn buitengewone moed. Hij bezat een trots en rijkelijke solidariteit die zijn eenvoudige anarchistische individualisme buiten haar oevers deed treden. Het bracht hem ertoe zich volledig te geven voor zijn kameraden zonder ooit iets in ruil te verwachten. Hij was de eerste in een lange reeks kameraden van ideeën en acties waarmee ik de goede en slechte momenten van het leven gedeeld heb. Tussen ons bestond er een ongeschreven code die gebaseerd was op wat betekenis gaf aan ons libertaire idee en die ons in al onze acties begeleidde: de absolute oprechtheid, nooit een gegeven woord breken en de totale weigering van elk compromis.
Ik ga jullie geen bilan schetsen van mijn activiteiten als partizaan. Ik zal jullie niet vertellen over mijn lijdensweg van de ene gevangenis naar de andere, tijdens de strijden van het Verzet of na de oorlog. Ik zal geen lijst opmaken van de revoltes en de geplande ontsnappingspogingen uit de penitentiaire instellingen die ik ‘bezocht’ heb en waarvoor het democratische gerecht me als een soort ‘bonusreis’ naar het gesticht voor veroordeelden in Aversa gestuurd heeft.

Ik wil jullie daarentegen vertellen over de kameraden waarmee ik ideeën en een intens, misschien wel uniek, leven gedeeld heb. Ik ga jullie eerder vertellen over het geluk dat ik gehad heb met zulke waardevolle kameraden aan mijn zijde. Deze kameraden hebben me geholpen mijn trots en waardigheid te bewaren, zelfs in de donkerste momenten. Ik wil jullie vertellen over wat van een mens een mens maakt, wat de levensomstandigheden ook mogen zijn.
Ik ben Belgrado een eerste keer tegengekomen in de jaren 60 in de doorgangssectie van de gevangenis van Firenze. Het was alsof ik opnieuw mijn oude kameraden van onze partizanenstrijd (Mariga, Sergio, Zava en zovele anderen) ontmoette. Ondanks de vele gelijkenissen met de andere kameraden, was Belgrado door zijn autodidactische cultuur de meest ‘filosofische’. Tezelfdertijd was hij soms ontwapenend naïef, zoals een kind dat begiftigd is met een sublieme intelligentie.
Zava daarentegen leek op het eerste zicht een gentleman. Geraffineerd, elegant gekleed, hij leek wel een serieuze advocaat. In werkelijkheid was hij een echte ‘pretmaker’. Hij hield ervan om grappen van alle soort uit te halen en was tegelijkertijd het geprefereerde ‘slachtoffer’ van de stoten die men uithaalde.
Om jullie te laten begrijpen wat voor een persoon hij was, ga ik jullie vertellen dat hij in de gevangenis van Santo Stefano stilletjes de kat van Sante Pollastro opgegeten heeft. Pas jaren later zou hij het vertellen aan Pollastro, gezien zijn beruchte ‘ernst’. De hond van de directeur onderging hetzelfde lot… Om het met een boutade te zeggen: Giovanni Zava was geen hoerenzoon, maar een zoon van een coöperatief van hoeren…! Hij bezat een enorme capaciteit tot actie, was erg extravert en goed gezelschap.
Sergio Ravenna voegde aan de capaciteit tot denken en actie nog een quasi bovennatuurlijk idealisme toe. Het was híj die ons tijdens onze gevangenisodyssees steunde. Nooit vergat hij de actieve solidariteit, nooit vergat hij de concrete hulp die ons vaak toegelaten heeft om te ontsnappen aan zwaarwegende en kritieke situaties, dankzij zijn vele kennissen. Sergio had een bijna absolute afkeer van materiële goederen, zijn libertaire ideaal bracht hem ertoe ons te helpen, en zelfs zichzelf het noodzakelijke te ontzeggen. Ik denk dat Sergio de ‘liefste’ en meest diepmenselijke kameraad was die ik ooit tijdens mijn leven gekend heb.

Na een erg lange opsluiting komen Mariga, Zava en Pedrini, samen met andere ‘oude’ anarchistische kameraden waarvan ik jullie de opsomming bespaar, vrij. Ze gaven leven aan de anarchistische kring ‘Bruno Filippi’, aan de Ponte Baroncino in Carrara.We hebben zo onze activiteit als anarchistische revolutionairen ten volle herbegonnen. We keerden terug op een toppunt van de beweging van sociale libertaire subversie die onze bestaansreden is en blijft. Onze solidaire praktijk richtte zich aldus naar de nieuwe jonge rebellen en kameraden die het voorwerp waren van criminele en repressieve aandacht van de Italiaanse democratische Staat aan het einde van de jaren 70 en de jaren die daarop volgden. Ik laat nu het woord aan een jonge kameraad die deel uitmaakt van de kring, zodat die kan vertellen over zijn ervaringen die gerijpt zijn uit het contact met de ‘ouderen’.

Een warme groet aan allen
Il Monello (Giovanni Boni)

  • De vervolgden van de Gestapo (1945) van Giovanni Boni, ‘Monello’.

(1) Gappista (lid van de Gruppi d’azione patriottica, GAP): Beperkte groepen van 3 à 4 individuen, die onderling autonoom waren, gecreëerd door de communistische Partij na 8 september 1943. Hun praktijk was de stadsguerilla: bommen tegen kazernes van de Militie, van carabinieri of van het Duitse leger; executie van fascistische verantwoordelijken en hooggeplaatste nazi’s, industriëlen en handelaars; in brand steken van militaire voertuigen; sabotages van telefoon- en elektriciteitscentrales,… In Turijn, Milaan, Firenze, Bologna en omstreken waren ze vanaf het begin het meest actief.
Een waardevolle getuigenis over de activiteiten van de GAP in Turijn en Milaan vind je in Giovanni Pesce, Senza tregua. La guerra dei GAP, Feltrinelli, Milaan, 1967, 308 p.

Over de revolte en het leven

Het is erg moeilijk om te praten over je eigen ervaringen, omdat ze je in conflict brengen, inclusief met jezelf. Ik verwijs niet naar een discours sui generis, naar een veralgemeend anarchisme dat verstaan wordt als ideologie, maar naar een anarchisme dat vertrekt vanuit de revolte, iets wat het mijne is. Binnen deze context gaat het dus over levende materie. Ik zal vertellen over de ervaring van de kring Bruno Filippi.
Ik was een adolescent die begonnen is, zoals alle jongeren, vanuit de ervaringen van kleine rebellieën. Vooral mijn bijzondere conflictualiteit met de familiale institutie, en omdat mijn grootvader me geleerd had om zelfs mijn vader niet te aanvaarden. Hij was een van de eerste partizanen, zijn ideeën waren gebouwd op een stirneriaanse basis: de beste leerkracht is hij die aan zijn eigen leerlingen de revolte leert.

De kring Bruno Filippi werd geboren na de ervaring van de culturele kring van de via Ulivi. Vanuit de wil om een kring te creëren die verder zou gaan dan het verdelen van boeken en informatie, om een plaats op te bouwen waar de kameraden een discours van strijd en radicaliteit konden uitdragen. Van kleine lezingen of minimale strijden gelinkt aan de streek (bijvoorbeeld over het herstel van de wegen, de strijden aan de zijde van de vrachtwagenchaffeurs, de sociale ontevredenheid,…) tot het aanraken van thema’s die gevoeliger lagen binnen de sociale context op nationaal niveau. Ik denk aan de vragen die in de jaren 70-80 opgeworpen werden, zoals het terrorisme, de gewapende strijd,… Dit zijn thema’s die dagelijks bediscussieerd werden binnen de bewegingen van sociale subversie. Binnen deze context groeide mijn ervaring in Carrara. Mijn ervaring, en die van zovele andere jonge kameraden, jonge anarchistische revolterende rebellen.

De kring Filippi brak het conformisme dat al jarenlang de anarchistische beweging van Carrara verlamde. Het kwam tot harde polemieken met diegenen die, om met rust gelaten te worden, de gemakkelijke weg van het opportunisme kozen. Zo wilden ze de risico’s van eventuele repressie voor zichzelf verminderen. We moeten juist een volle en totale solidariteit tonen met de anarchistische en libertaire, informele en meer radicale ervaringen, zelfs met de gewapende. Zoals bijvoorbeeld met Azione Rivoluzionaria (1) die zwaar ingingen tegen de historische en officiële verschijnsvormen van het anarchisme in Carrara die voortaan gereduceerd waren tot herdenkingen en verjaardagen van een nostalgisch verleden, lichtjaren verwijderd van het dagelijkse sociale leven in de stad. Ik zeg jullie dit om uit te leggen dat de Kring een verhouding tussen leven en ideeën had die zich niet scheidde van wat we in sociale strijden verdedigden en van welke verschijning van die tijd dan ook. Er was geen scheiding tussen theorie en praktijk: wat we zeiden, dat leefden we ook op datzelfde moment.
Zoals iedereen weet stortte in die tijd een woeste repressie zich op alle uitingen van de radicale en sociale antagonistische beweging. Er vond een zee van arrestaties en mega-processen plaats tegen kameraden die door de flikken en magistraten die zich telkens bezig hielden met deze of gene georganiseerde gewapende uiting, beschuldigd werden. We begonnen af te klokken op de processen tegen de kameraden die in verschillende steden (Livorno, Firenze,…) plaatsvonden.
Deze manier om de subversieve strijd te ondersteunen viel samen met een solidaire medeplichtigheid met allen die geraakt werden door politionele en juridische repressie. Onze aanwezigheid en die van vele andere kameraden wakkerde het enthousiasme en het verlangen om te strijden aan, zowel bij ons als bij de gevangen kameraden. Voor ieder van ons was ademhalen en samenzweren tegen de Staat het dagelijkse doen en de manier om te leven en te voelen geworden.
Zoals ik het beleefde, waren de relaties tussen de jongeren en de zogenaamde ‘anciens’ binnen de kring Filippi conflictueel omdat ik zocht naar actiemethodes – en mijn verlangen kruiste dat van vele anderen – die zich noch in het onmiddellijke noch in de specifieke problemen die we het hoofd moesten bieden concretiseerden. Uiteraard begreep ik de geslotenheid van de ‘anciens’ niet. Misschien dacht ik dat alles mij toekwam, zaken die vaak de kop opsteken bij enthousiaste jongeren met kokend bloed.
Misschien was het om ons te leren wat niet aangeleerd wordt: hun passionele en cynische houding was de consequentie van de bijzondere manier waarop ze omgingen met hun leven en hun revolte. Ik sloeg er niet in de betekenis ervan te achterhalen, aangezien ikzelf niet de helft van mijn leven in de gevangenis had doorgebracht. De barsheid van het conflict met deze anarchisten maudits die mijn ‘foute omgang’ werden, heeft me de mogelijkheid gegeven om op een autonome manier in alle betekenis van het woord te groeien, zonder mezelf illusies of mythes te maken. Wanneer je leeft en niet vegeteert kan er geen enkele geformaliseerde relatie of uitgestippeld parcours bestaan. Daarom laten de volledig horizontale en face-to-face verhoudingen geen ruimte voor opportunisme. Deze kameraden droegen een barse vrijmoedigheid in zich, en een menselijkheid die vandaag onvindbaar is. Ze leefden een vol leven waar het discours van de beweging, van het denken en van de actie één waren; ze leefden hun leven als een ‘spel’.
Er bestond geen enkel rigide organisatorisch discours onder ons, er waren geen gevestigde affiniteitsgroepen, maar wel groepen die ontstonden voor bepaalde acties en zich al even snel terug oplosten. Er waren geen leiders, geen bazen. Alles gebeurde volgens een vrije en solidaire relatie zonder overheersing. Er was respect voor elke directe actie van revolte, zonder aan bepaalde acties een privilege toe te kennen. Ze hebben me geleerd dat ik meer capaciteiten had dan ikzelf dacht. Deze kameraden die de helft van hun leven in de gevangenis gezeten hebben, openden de weg van het ‘alles weten te doen en wel onmiddellijk’, in volle vrijheid en verantwoordelijkheid.
Persoonlijk onderhield ik mijn meest intieme relatie met Belgrado en Sergio, die de meest aanwezige kameraden van de kring waren. Wat me geraakt heeft, is hun grote openheid van geest, hun begrip voor verschillende posities en hun bescheidenheid in tegenstelling tot de typisch arrogante relatie van zij die een grote cultuur hebben, hebben me geraakt. Bijvoorbeeld deze zin van Belgrado: “Mijn trots is dat ik geen enkel uur werk aan de Staat gegeven heb.” Sergio leek veel op hem, ik herinner me zijn grote menselijkheid en vastberaden karakter. Het volstaat te denken aan het feit dat hij gedurende meer dan 30 jaar de posities van Belgrado, Mariga, Zava en zovele anderen die door de Staat gevangen waren gesteund heeft. Hij kwam in conflict met diegenen die, hoewel ze anarchisten waren, zich conformeerden en zich geleidelijk aanpasten aan de nieuwe post-Verzet Staat. Ik denk dat deze kameraden, wat hun situatie ook mag zijn, altijd aanwezig waren en een visie en praktijk van solidariteit hadden die verder ging dan hun omgeving. Ze strekte zich uit naar allen die zich binnen of buiten koppig en rebels tegenover de macht toonden.

De kring Bruno Filippi had een intense subversieve anarchistische activiteit in Carrara. Ondanks haar korte bestaan, en dankzij de aanwezigheid van al deze kameraden en zovele andere anoniemen. De theorie ging samen met de praktijk, tegen elke specialisatie van leven en strijd. We brachten in het bijzonder de wederzijdse solidariteit in praktijk, bijvoorbeeld door naar andere steden te gaan om de activiteiten die door andere kameraden ontwikkeld werden te ondersteunen. Het resultaat was dat kameraden van over heel Italië en zelfs uit het buitenland naar de kring kwamen. Zoals we konden verwachten gezien de levendigheid van de situatie, richtte het oog van de autoriteit met nieuwe en langdurige aandacht op de herboren subversieve anarchistische praktijk in de stad. We heroverden wat in de loop van de jaren verloren gegaan was in de beweging.
De posities van Belgrado, Mariga en andere ‘ouderen’ over propaganda en gewapende organisatie, zoals bijvoorbeeld over onze beweging (dwz. Azione Rivoluzionaria) gaven bewijs van een groot begrip en openheid van geest, zonder daarom de vele jongeren te verstoten die posities innamen die meer conformistisch leken en die ertoe neigden zich aan het systeem aan te passen (waardoor ze al op de oude conservatieven begonnen te trekken). Ik zeg dit omdat ze een grote bereidheid om te leren en in confrontatie te gaan aan de dag legden. Ik kan jullie vanuit deze ervaring zeggen dat niemand tot iets verplicht, tenzij tegenover kameraden die je vertrouwt. De menselijkheid, soms de boosheid, en de waardigheid horen altijd bij diegenen die het leven en de revolte maken…zonder meesters.

Een kameraad van de anarchistische kring ‘Bruno Filippi’ van Carrara

(1) Azione Rivoluzionaria: Deze gewapende libertaire groep was actief tussen 1976 en 1979. Ze eisten onder meer de volgende acties op: de aanval op de Edizioni Paolini, de explosie van de winkel van Luisa Spagnoli die gevangenen uitbuit (La Spezia, 3 februari 1977), de kogelschoten in de benen van dokter Alberto Mammoli (31 maart 1977), de explosies van een aanwervingsbureau en een autodealer van Opel (Milaan, 30 april 1977), explosies van een electrische centrale, een wervingsbureau en het hoofdkwartier van Michelin (Turijn, 1 mei 1977), de aanval op en sabotage van de werven van nieuwe gevangenissen (Firenze en Livorno, 17 juli 1977), de aanval op de fabriek IPCA (Cirie, 2 augustus 1977), de explosie tegen de kantoren van de krant La Stampa (verbonden met Agnelli, de baas van FIAT) en de kogelschoten in de benen van de journalist van L’Unità (verbonden met de communistische Partij) Nino Ferrero (Turijn, 17-18 september 1977), de explosie tegen het Sportpaleis (Turijn, 21 september 1977), de gedeeltelijke onderbreking van de stedelijke communicatie (Milaan, 28 september 1977), de explosie van de administratieve zetel van de krant Corriere della Sera (Milaan, 24 februari 1978), de aanslagen tegen de Banca di Roma en de autodealer Ferrari (Rome, 6 april 1978), de aanval op het kantoor van Democrazia Cristiana (Aoste, 19 juni 1978), de aanval op IBM (Turijn, 23 juli 1978) en de aanval op de kantoren van de krant Gazzetta del Popolo (Aoste, 29 juli 1978).
De opeisingen en theoretische documenten zijn gepubliceerd in Azione Rivoluzionaria, Contributi alla critica armata libertaria, edizioni Anarchismo, Catania, 1980, 92 p.

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License