Rest van Belgrado Pedrini

De mentaliteit van het merendeel van de gevangenen

In de gevangenis heb ik meerdere malen dezelfde scène meegemaakt. Erover vertellen zal vast en zeker verrassend zijn. Die scène vindt plaats wanneer bepaalde gevangenen, vooral zij die lange straffen ondergaan hebben, naar buiten worden gestuurd aan het einde van hun straf: wanneer ze op de drempel van de poort staan, durven ze niet verder te stappen. Ze zouden willen blijven, hebben de moed niet om de vrijheid tegemoet te gaan, ze hebben de moed niet om opnieuw te leren leven in de samenleving ‘buiten’. De rest, het merendeel van de gevangenen, is bereid om na enkele maanden opsluiting eender wat te doen om het leven in de gevangenis een beetje aangenamer te maken.
Sommigen zijn zelfs bereid te folteren, te verkrachten of te mishandelen om op een goed blaadje te staan bij de directie en in ruil minieme privileges te verkrijgen. Met of zonder privileges, ondanks alles blijven ze geketende galeislaven. Vaak worden ze zelfs door de bewakers geminacht omwille van hun manier van handelen. Als besluit kan ik bevestigen dat een gevangene die een lange straf moet uitzitten zich in het algemeen aanpast aan zijn omgeving. Aangezien de gevangenis zijn nieuwe thuis is, probeert hij de meest comfortable positie te vinden. Om een bekrompen doel te bereiken is hij bereid zich volledig te verkopen aan de cipiers, aan de directie en aan de priester.
Wat een gevangene ook doet, van hielenlikker tot de meest smerige lafaard, het kan niet alleen teruggevoerd worden op een individu dat geen uitdrukkelijke individualiteit of een zekere morele trots heeft en waarvan de enige kritische zin niet verdergaat dan de dimensie van zijn beperkte persoonlijke situatie. De hielenlikkerij waaraan dit soort gevangene zich overgeeft komt op een punt waar de gevangene vergelijkbaar wordt met en zichzelf ziet als een cipier, tot in zijn geest, een cipier zonder uniform of pet, een cipier met een gestreepte pyjama. Er zijn zo weinig gevangenen die proberen te ontsnappen, je zou het bijna niet geloven. Het zijn werkelijk uitzonderingen.
Voor 1 op de 100 gevangenen die denkt aan een ontsnapping of er één voorbereid, zijn de 99 anderen onmiddellijk bereid om hem te verraden en de directie in te lichten. Het grootste deel van de gevangenen verkiest hielenlikken, kleine diensten doen voor de directeur en de priester, en zo een beetje beter af te zijn – eerder dan zijn huid te riskeren door over de muur te springen en daarna het risico te lopen buiten, in vrijheid, niet te kunnen overleven. Het is niet gemakkelijk vergeten te worden.Voeg daar nog de problemen aan toe die een ontsnapte gevangene krijgt wanneer hij niet veel relaties heeft en een manier zoekt om van kledij te veranderen en te eten. Grote moeilijkheden, zeker voor iemand die ongeletterd, onontwikkeld, onkritisch en onzeker is.
Weet goed dat het eerste obstakel voor een gevangene die wil ontsnappen (versuft door de opsluiting) het organiseren van zijn eigen vlucht is. Alleen al daarvoor moet je rationeel kunnen denken, moet je een organisatorische capaciteit hebben en koelbloedig zijn. Het volstaat niet om het boek Le Comte de Monte Cristo in stripvorm te lezen om een ontsnappingsplan op punt te kunnen zetten.
Het moet ook gezegd worden dat een kameraad, een idealist, een anarchist, over het algemeen niet erg gebonden is aan de gevangenis. Zijn rijpheid maakt hem in feite sterker. Zijn verstand is beslist kritisch en ontwikkelt zich alsmaar verder. Als hij beslist te proberen ontsnappen, dan weet hij wat hem buiten wacht: zijn kameraden, zijn echte vrienden en vooral een militante solidariteit. Voor een gewone gevangene daarentegen is er buiten, in het beste geval, niets meer dan het milieu van de malavita met haar wetten, haar halve toneelspelers, haar valse mythes en haar logica.
Besluit: diegene die het beste in de gevangenis overleeft, is diegene die leeft in de voortdurende hoop zo snel mogelijk vrij te komen en dat met alle middelen, legaal of illegaal. De anderen raken afgestompt, degenereren volledig, worden in het beste geval levende doden, of in het slechtste geval grote oren, onderkruipers, gereedschap, gevangenen van de directie, de priester en de Staat.

Mijn ontsnappingspogingen

Ik heb in mijn leven als gevangene dus drie keer proberen te ontsnappen. De eerste keer probeerde ik het in Genua in 1947. Beter gezegd, we probeerden het met vier: Zava, twee andere gevangenen die met onze ideeën sympathiseerden en ikzelf.
Onze techniek was de meest simpele en meest gekende: ik heb maandenlang clandestien gewerkt tot ik een metaalzaag om de tralies door te zagen heb kunnen bemachtigen. Eens het kostbare gereedschap bemachtigd en de tralies doorgezaagd, daalden we af naar de binnenplaats met een geïmproviseerd koord dat we klassiek van een laken gemaakt hadden.
Het parcours dat we hadden moeten volgen, zag er zo uit: eerst moesten we de twee binnenplaatsen oversteken, daarna over twee ringmuren klauteren waar vier schildwachten die in die tijd gewapend waren met machinegeweren ronde liepen.
We werden gedreven door een dorst naar vrijheid en door het verlangen om de strijd voor de emancipatie samen met de anarchistische kameraden van Carrara en zij die op de rest van het schiereiland streden terug op te nemen. Wanneer ik we zeg, dan heb ik het over ons alle vier.
De twee jongeren uit Genua, die ik blijf omschrijven als sympathisanten, waren uiterst gevoelig en zijn een tijdje de slachtoffers geweest van mijn preken en die van Zava. Ze werden vrij snel actieve deelnemers aan onze avondvergaderingen waar we over ideologie discussiëerden en de realiteit analyseerden. Tijdens de eerste discussies hielden de twee jongeren er naar mijn mening zeer verwarde ideeën op na. Ze zagen in het door de communistische partij gemystifisceerde communisme en marxisme de enige bron, de enige Italiaanse weg voor de bevrijding van de uitgebuitenen.
Zava en ik zagen daarentegen geen enkel paradijs op aarde en duwden de analyse naar meer diepgang: zo hebben we geprobeerd hen mee te nemen naar de meest libertair mogelijke stellingen. Tijdens deze vergaderingen probeerde ik, ondanks de last van de jaren, om al mijn herinneringen aan de teksten van Bakoenin, Malatesta en Kropotkin te gebruiken om hen te laten begrijpen wat de verschillende oorzaken waren die tesamen het sociale vraagstuk produceren, en dus de uitbuiting van de mens door de mens. Na deze reeks van avondlessen over het anarchisme, waren de twee jongeren uit Genua effectief vervuld van ons libertair ideaal, en begonnen ze zich net zoveel als ons te beschouwen als echte militanten.
Jammer genoeg, om terug te komen op ons leven als ‘papillons’, mislukte de vluchtpoging. Eens we in stilte afgedaald waren tot op de eerste binnenplaats na de tralies te hebben doorgezaagd, zijn we op het gebouw dat als lijkenhuis dienst deed geklommen. Het dak van dit gebouw bestond uit zeer fijne leien dekstenen. De grijze platte stenen braken onder ons gewicht en veroorzaakten een enorme heibel. Als een alarm trok ze de aandacht van de schildwachten die enkele schoten losten terwijl ze “Wie is daar?” brulden. Binnen enkele minuten stonden alle cipiers rond het lijkenhuis en werden we als vier muizen in de val gepakt. Tijdens deze ontsnappingspoging waren er aan geen van beide zijden gewonden gevallen. Voor ons bleven er alleen maar trieste gevolgen over: we ondergingen meerdere sancties zoals de isolatiecel, het dwangbuisbed, slagen van cipiers en van mozzi (gevangenen die de kerkerwachters helpen bij deze operaties) en, dulcis in fundo, kregen we nog een ‘eerlijk proces’ zoals het penitentiair reglement voorziet.
Als ik het me goed herinner vond het proces zeven of acht maanden later in Genua plaats, in een grijze zaal die Bakoenin een onrechtsbank zou genoemd hebben. Zava en ik kregen als ‘beloning’ zes maanden extra. Het was onze eerste serieuze ontsnappingspoging en de veroordeling was voor de zogenaamde democratische magistratuur de rekening, de eerlijke prijs. De twee sympathisanten uit Genua kregen drie maand, want Giovanni en ik hadden de volledige verantwoordelijkheid voor de ontsnapping op ons genomen, we hadden verklaard dat we hen hadden meegesleurd.

Mijn tweede halsbrekende ontsnappingpoging vond plaats in 1951. Ik heb geprobeerd te ontsnappen uit de gevangenis van Saluzzo met ‘kameraden’ die helemaal anders waren dan de vorigen. Dezelfde geschiedenis heeft zich herhaald: ik heb een enorm deel van mijn tijd gespendeerd om de middelen te bemachtigen, de gereedschappen die nodig zijn voor een ontsnapping. Ik had zelfs geld dat diende voor de eerste dagen na de ontsnapping.
Ik heb alles op de volgende manier bemachtigd: ik heb gewacht tot enkele vertrouwenskameraden die ik in de gevangenis had leren kennen vrij de gevangenismuren verlieten. Ik heb hen gevraagd om vijlen en zagen te zoeken en die te verbergen of in de zolen van een paar schoenen, of ze te bakken in een brood, of ze te verbergen in een dubbele wand van een doos. Een tijdje later werd mijn droom werkelijkheid en kreeg ik al het materiaal in mijn cel.
Eens de tralies van ons raam doorgezaagd was, gingen we over naar de tweede fase van het plan. We zaten op de derde verdieping, en de tweede moeilijke etape bestond uit het afdalen naar de binnenplaats.
Deze keer leek de ontsnappingspoging vanaf het begin al ingewikkelder, het was een collectieve poging. We waren met twaalf en niet met vier zoals de eerste keer. Een beetje verduidelijking: het idee voor de vlucht was niet de vrucht van mijn initiatief alleen, maar een plan dat in onze cel was gegroeid. Alle twaalf waren partizanen, politieke gevangenen. Onder ons noemden negen zich communisten, en drie zich anarchisten. Toen we beslisten om onze vrijheid te veroveren hebben de anderen zich tot mij gericht. Mijn ervaring met ontsnappingen – in de gevangenis gaat de informatie en de beruchtheid zeer snel rond – was voortaan beroemd.
Eens we de middelen bij elkaar gekregen hadden, de risico’s overwogen hadden en de tralies doorgezaagd hadden, zijn we overgegaan tot de collectieve actie: ik ben als eerste afgedaald en eens ik op de grond stond, volgde de tweede zoals afgesproken. Maar de derde, overwelmd door de emoties, liet het lakenkoord los en liet zich vallen in plaats van zachtjes af te dalen. Zijn val ging gepaard met een enorm lawaai. De heibel alarmeerde iedereen die in de gevangenis zat. Enkele kameraden uit de cel raakten in paniek en durfden niet meer te bewegen. Anderen die moediger waren hebben geprobeerd zo snel mogelijk af te dalen, waardoor ze, je kan het je inbeelden, nog meer lawaai maakten. De schildwachten lieten hun sirenes loeien: een tiental minuten lang stoven ze alle richtingen uit.
In minder dan een uur waren we allemaal gepakt en opnieuw onderging ik de gewoonlijke sancties: de isolatiecel, het dwangbuisbed, een fijne dosis klappen, voor de juridische autoriteiten verschijnen en als cadeau een overplaatsing: vakantie in een andere gevangenis voor een betere verlengde vervolging.
Na dat alles, ben ik voor de tweede keer voor de rechtbank gekomen. Ik legde deze keer aan het tribunaal mijn situatie uit. Ik zei dat ik een onverdiende veroordeling onderging en dat de delicten die me werden aangewreven acties met een ideologisch karakter waren of, als ze dat verkozen, puur politieke acties.
De magistratuur bleef ons beschouwen als gewone delinquenten, ondanks mijn reacties tijdens de procedure: ik heb geprobeerd om mijn kooi van beklaagde om te vormen tot een platform, tot een tribune om aan te klagen en te verdedigen. En zo vroeg ik dus aan de rechter en de advocaten dat ze moesten proberen de minister van Justitie en van Gratie aan te klampen om ons dossier te heropenen. Uiteraard hebben we niets bekomen en heeft niemand naar ons geluisterd.
Deze keer kreeg ik 18 maanden als recidivist, terwijl de anderen die aan hun eerste poging waren, 6 tot 8 maanden mochten slikken. Zij die op het moment van de ontsnapping in de cel waren gebleven, werden eerst beschouwd als relatief schuldig, de magistraten probeerden hen te beschuldigen van medeplichtigheid. Uiteindelijk werden ze vrijgesproken omdat wij alle verantwoordelijkheid op ons genomen hadden.
We hebben onszelf als enige verantwoordelijken voor de organisatie van de ontsnapping opgegeven. We verklaarden dat we op het moment dat we beslist hadden om te vluchten niet aan hen hadden gedacht. We dekten hen in door te zeggen dat ze van niets wisten aangezien we tijdens de wandeling, buiten de cel, samenzworen.

In de gevangenis van het eiland Pianosa heb ik mijn derde ontsnappingspoging ondernomen. Pianosa is een eiland van de Toscaanse archipel dat op ongeveer zeventig kilometer van Livorno ligt. Op dit eiland zaten gewone gevangenen en ‘fysiek gehandicapten’ opgesloten: ik bevond me bij de gewone gevangenen.
In deze Cayenne heb ik geketende veroordeelden leren kennen op wie ik kon vertrouwen. Ik organiseerde dus een ontsnappingsplan met mijn drie celgenoten. Zoals je je wel kunt voorstellen was de grootste moeilijkheid het oversteken van de zee.
Voor deze nieuwe ontsnappingspoging heb ik alle herinneringen die ik had over schone kunst herbruikt. Steunend op mijn ervaring als oude student van de academie begon in poppenhoofden te maken. Ik modelleerde met klei, krijt en broodkruim om hoofden te vormen die zoveel mogelijk leken op de onze, ik kleefde er haar aan dat we bij onszelf hadden afgeknipt. Deze hoofden lijmde ik dan op geïmproviseerde poppen die geconstrueerd waren met oude truien en caleçons die vol stro staken.
Het resultaat was bevredigend: ik had met een monnikengeduld vier dubbelgangers gefabriceerd. Wij lieten de poppen in de bedden liggen en werkten het doorzagen van de tralies van onze cel af. Vanuit het raam daalden we af tot op de binnenplaats en staken een aangrenzende moestuin van de gevangenis over. We beklommen de muur van de moestuin met een koord voorzien van een werphaak. Al lopende bereikten we de zee. We hadden met enkele kameraden uit Livorno afgesproken dat een motorbootje moest voorbijvaren op een precies uur en, met die boot, de vrijheid. De twee kameraden waarmee we hadden afgesproken waren leden van de naburige Anarchistische Federatie en waren ‘op vakantie’ in de gevangenis van Pianosa om een korte straf uit te zitten. Samen met hen had ik het plan voor de ontsnapping tot in de puntjes uitgewerkt. De laatste details van de onderneming had ik nog op punt gesteld in een gecodeerde brief.
Op de afgesproken dag hebben mijn drie kameraden en ik de actie aangevat om weg te geraken uit de gevangenis terwijl de vrienden van Livorno zich in beweging zetten om ons te komen oppikken. Ze zijn ingescheept vanop de kust, daar heb ik concrete bewijzen van gehad.
Jammer genoeg veranderde plotseling het weer tijdens de oversteek; ten gevolge van een onweer was de zee stormachtig geworden en onbevaarbaar. Omwille van deze omstandigheden zijn de kameraden van de Federatie van Livorno moeten terugkeren. Pas na duizenden moeilijkheden zijn ze teruggeraakt.
Onze situatie was er niet veel leuker op. Wij waren dan wel buiten de gevangenis, maar op een eiland en zonder enige reële mogelijkheid om de ellende ten einde te brengen. Enkele uren later waren we tot alles bereid, en met een enorme hoeveelheid moed en de dorst naar vrijheid die we wilden lessen, hebben we alles op alles gezet.
Wanhopig maar in vol bewustzijn, hebben we geprobeerd de zee met een vlot over te steken. We hadden in zeven haasten een vlot gebouwd met boomstammen en koorden die we in de schuur van een boer gevonden hadden. Maar het vlot, hoewel het gebouwd was door mensen die ten alle prijze hun vrijheid willen veroveren, kon de furie en het geweld van de golven niet weerstaan. De zee was die nacht zo onstuimig dat we er ondanks onze inspanningen niet in geslaagd zijn de branding voorbij te geraken, zelfs nog geen honderd meter. Na meerdere uren, hebben we ons overgegeven aan de kracht van de zee en eens terug op het vasteland, werden we de volgende morgen gearresteerd op de begraafplaats waar we ons verstopt hadden.
Er kwamen wachters te paard en cipiers op de fiets aan. Ze hebben ons tussen twee vuurgevechten door uit deze laatste schuilplaats gejaagd. De deelnemers aan deze derde ontsnappingspoging waren twee Sicilianen, een kerel uit Cremona en ikzelf. De kerel uit Cremona was actief geweest in de anarchistische beweging onder het fascisme en had daarna, vanaf de jaren 30, meerdere jaren in het buitenland doorgebracht. Vanuit Frankrijk, waar hij naartoe gevlucht was, is hij doorgetrokken naar Spanje om deel te nemen aan de revolutie en de oorlog.
Toen we terug binnen de gevangenismuren waren, hebben ze ons tot bloedens toe geslagen en voor drie maanden overgeplaatst naar Porto Azzurro. Daar werden we de volle drie maanden lang opgesloten in de strafcel. Uiteindelijk brachten ze ons naar Livorno voor een zoveelste proces. Ik heb daar een nieuwe beloning van 18 maanden gewonnen. De kerel uit Cremona kreeg een jaar en de twee Sicilianen elk twee maanden.

Het was mijn laatste collectieve uitbraakpoging. Ik heb nog eens geprobeerd om te ontsnappen tijdens een transfer. Ik was erin geslaagd me te ontdoen van de handboeien die me boeiden aan de carabinieri die me begeleidden. Wanneer een gevangene van de ene gevangenis naar de andere overgeplaatst wordt, wordt hij eerst overgedragen aan carabinieri. Zij leiden de gevangene naar het station, stoppen hem in een celwagon en begeleiden hem tot aan de bestemming. Als de gevangene zich van zijn handboeien kan ontdoen, heeft hij tijdens het overstappen in een station al wat kans. Als hij jong en lenig is kan hij het op een lopen zetten en gemakkelijk ontsnappen.
Dat is wat ik een keer gedaan heb tijdens een overplaatsing, maar ook deze keer was het geluk niet aan mijn zijde. In het station waar ik erin geslaagd was me te bevrijden krioelde het per toeval van politie-agenten en mensen van de havenmilitie die de carabinieri geholpen hebben om me te pakken te krijgen. Deze keer heb ik geen proces gekregen omdat mijn ‘vlucht tijdens overplaatsing’ niet beschouwd werd als een ontsnapping. Ik denk dat een vlucht van deze soort toch wel voor de rechtbank zou komen, maar tot op vandaag weet ik nog altijd niet waarom dat niet gebeurde.
De machtigste vijand die een gevangene moet overwinnen om te kunnen ontsnappen is de vijandigheid van de anderen, denk ik. In theorie impliceert een ontsnapping een lichte repressie de volgende dagen voor zij die achterblijven. Maar het is veeleer de afgunstige en onderworpen geest van andere gevangenen die bepalend is voor hun vijandelijkheid dan een veralgemeende repressie.
In het grootste deel van de gevallen zijn het individuen zonder idealen, bereid om zelfs hun moeder te verkopen, opgevoed tot geweld, gediplomeerd in smerigheid door de gevangenis, door het lijden en door ontberingen van alle soort. Deze ongelukkigen zijn afgunstig op de geketende kameraden die willen vluchten en, omdat ze zich onmiddellijk prostitueren aan de gevangenisautoriteit, sloven zich uit en verkopen je in ruil voor exclusieve en onbetekende privileges.
De ontsnappingspoging is de zuurstof van enkele gevangenen die kritisch, gezond en jong genoeg zijn en die de noodzaak om te reageren tegen de gevangenis voelen. Vaak overleef je de gevangenis alleen maar door vluchtplannen te smeden. Denken aan vluchten, hopen het te doen, is een manier om niet te sterven in de gevangenistombe. Maar het grootste deel van de gevangenen, zoals ik al vaak heb herhaald, vormt een niet-denkende massa en een verzameling van angsthazen. De risico’s en gevaren van hij die verlangt te ontsnappen gaan van de gewapende schildwachten tot de moeilijkheden om buiten middelen om te overleven te vinden. Daarom past de gevangenismassa die afgestompt is door de kerker zich aan zonder te beseffen dat ze enkel nog meer afgestompt zullen worden.

Het ‘leven’ in de Italiaanse gevangenissen

De situatie in de gevangenis van vandaag verschilt van de fascistische periode door een verbetering van de voeding, maar die voldoet hoe dan ook niet aan de minimale behoeften van een menselijk wezen.
Ze geven aan de gevangene een rantsoen dat niet meer kost dan 500 lire per dag. Daarenboven wordt deze dagelijkse som onverbiddelijk en systematisch geamputeerd door de interne camorra van de gevangenis. De verantwoordelijken hiervoor zijn de gevangenen die werken voor de keukendienst, de chefs en de cipiers (die zijn altijd de eerste verantwoordelijken voor het inpikken van voedsel). Voor deze heren zijn het systeem en de regel zoveel mogelijk stelen van de gevangenen. Bijgevolg krijgt de gevangene die in zijn cel wacht op zijn portie eten ter waarde van 500 lire uiteindelijk een rantsoen van minder dan 50 %.
De kwaliteit is vreselijk belabberd, de voedingsmiddelen zijn altijd de slechtse van de markt. Het eten is dus heel eenvoudig afstotelijk voor de smaakorganen van de gevangene. Maar in enkele gevangenissen is de situatie, na ontelbare protesten die door de veroordeelden geleid en betaald werden, lichtjes veranderd en een beetje verbeterd.
Fossombrone is één van die plaatsen. Na twee jaar onder zo’n regime gaat de gezondheidstoestand van een veroordeelde in Italië er serieus op achteruit: het grootste deel van de individuen komt volledig verzwakt buiten. De situatie op vlak van omgeving, hygiëne en sanitair is simpelweg tragisch. De staat van de cellen en de vochtigheid van de gebouwen zijn typisch voor oude instellingen.
Feitelijk zijn het grootste deel van de Italiaanse gevangenissen omgebouwde oude kloosters of middeleeuwse forten. Deze structuren blijken al bij de eerste blik totaal ongeschikt: ze houden een veel groter aantal gevangenen vast dan waar er effectief plaats voor is. Als je de gevangenen in alle Italiaanse centrales bekijkt, dan krijg je hetzelfde gevoel als wanneer je een ton met haringen opendoet.
Om het op een intellectuele manier te zeggen, de situatie (of eerder de verhouding ruimte/individuen) is zoals Schopenhauer ze beschreef voor de egels die opgesloten op een ongelukkige plaats eindigen met elkaar te steken. In deze beperkte ruimtes breken ruzie’s uit voor het minste. Tegen elkaar uitpakken en zo de lichtgeraaktheid en het opgestapelde lijden ontladen onthult wat de gevangenisadministratie is. De echte en enige verantwoordelijke voor deze ondraaglijke situatie is sowieso, altijd en alleen de Staat en haar regering die, omwille van hun onmenselijkheid, sinds dertig jaar geen enkele maatregel genomen hebben.
Ik ben het er absoluut mee eens dat er geen gevangenis kan en mag bestaan in een samenleving zoals die geïdealiseerd wordt door de anarchistische denkers. De gevangenissen in een maatschappij zoals de onze, die zich als modern en beschaafd beschouwt, geven een duidelijk voorbeeld van haar echt beschavingsniveau.

De Italiaanse situatie is een frappant voorbeeld van een onmenselijke ‘beschaving’ die naar het hoogste niveau van ondraaglijkheid gestuwd is. Het gevangenisreglement is nog altijd dat van Albertino en daarna van het fascisme, het is intact gebleven zonder veranderd te zijn noch door de Risorgimento noch door het Verzet. Dit reglement is integraal opgenomen in de republikeinse Grondwet. We kunnen zeggen dat de enige en miniscule veranderingen van de laatste dertig jaar het gevolg zijn van enkele ministriële rondzendbrieven die bepaalde disciplinaire maatregelen een beetje verlicht hebben.

In 1968 en in de loop van de volgende jaren breekt er in de gevangenissen een reeks opstanden uit om hervormingen te bekomen. De radicalisering van de analyses die de studenten en arbeiders buiten formuleerden hadden ook hun repercussies binnen de muren van de gevangenis van het schiereiland. De veranderingen die voorgesteld werden, overgenomen in de kranten, op de radio’s en de televisies, waren de intrekking van het strafrecht en de hervorming van het gevangeniswezen.
Van 1968 tot 1975 hielden de gevangenen in heel Italië zich blijvend op de hoogte van alle gepolitiseerde revoltes in elke strafinstelling, over de uitgebreide en talrijken toespraken die de politiekers nu en dan voor hen hielden en over wat de regering nooit zou doen. De opeenvolging van revoltes was het gevolg van een collectieve bewustwording van de veroordeelden, door de klassieke methode van het achterwege blijven van eender welk hervormingsproject, al was het maar miniem, na een berg toespraken te hebben gehouden.
Van de ene opstand naar de andere kwamen we terecht in een situatie waar we de cipiers konden horen zeggen: “De gevangenis, zelfs als het een voorbijgestreefd concept is en zelfs als de huidige situatie onhoudbaar is, is er zo aan toe dat we de regering vragen ons carte blanche te geven om de situatie te kunnen bedwingen.” De minister van Justitie en Gratie gaf, ondanks zijn gewoonlijke immobiliteit, toe om ‘uitzonderlijk’ aan de cipiers carte blanche te geven zoals gebruikelijk was onder het fascisme. Deze maatregel werd hen vooral toegekend in de gevangenissen waar de gerevolteerde gevangenen van heel Italië samen opgesloten zaten.

Hier moeten we nog aan toevoegen dat de maatregelen die in de gevangenissen van Sardinië, Sicilië en Porto Azzurro getroffen werden ruim de wreedheid en hardheid van de maatregelen die de nazifascisten in hun tijd namen voorbijstaken. Vandaag de dag is er in alle Italiaanse gevangenissen een onwankelbare repressie in voegen, die veel verder gaat dan de repressie die Mussolini in zijn tijd had aangeraden. Volgens de huidige normen heeft de gevangene recht op één uur wandeling, zoals in de tijd van Mussolini. Maar deze paragraaf kan naargelang de discretie van de gevangenisdirecteur geïnterpreteerd worden op een manier die aan de gevangene toelaat te genieten van één tot zes uur wandeling. De zes uren worden toegekend in de strafhuizen waar de fysiek gehandicapte of aan tuberculose lijdende gevangenen opgesloten zitten. In alle andere gevangenissen, het grootste deel dus, duurt de wandeling maximum één of twee uur als de gevangenisdirecteur ‘denkt’ dat dit nodig is.

De mogelijkheden van gevangenen om met elkaar te communiceren is relatief en beperkt. Twee gevangenen kunnen met elkaar praten tijdens de wandeling, maar altijd onder het controlerende oog en oplettende oor van een duo cipiers die daar officieel staan om ontsnappingen en opstanden te voorkomen en tegen te gaan. Een van de methodes die de gevangenen gebruiken om met elkaar te communiceren is het doorgeven van kleine briefjes van de ene cel naar de andere.
Een andere gelegenheid om met elkaar te praten is het televisie-uurtje en in dit geval moet je de berichten fluisteren. Communiceren is in elk geval een mogelijkheid die altijd afhangt van geluk en toeval, met al die spionnen die ons omringen… Als er gepraat wordt over politiek of cultuur moet je oppassen. Feitelijk is het gewoon afgelopen als diegene die meeluistert denkt dat er in hetgeen gezegd wordt ook maar vaag te maken heeft met een opstand. We worden dan onmiddellijk gescheiden, naar de cel gebracht en je weet nooit of er ooit nog een andere gelegenheid zal komen om elkaar te zien. In het algemeen is de communicatie allesbehalve gemakkelijk en vooral discontinu.

De gevangene die door gedachten, acties of verzuim de artikels van het gevangenisreglement doorbreekt wordt onderworpen aan een isolatie van vijf dagen tot maximum drie maanden. Uiteraard hangt het aantal dagen of maanden af van het begane ‘delict’: als het gaat over ruzies, opstanden of ontsnappingen krijg je het maximum en voor andere lichtere inbreuken het minimum.

Bij zware inbreuken heb je bovenop de isolatiecel recht op een reductie van het eten. Van twee maaltijden per dag ga je naar één maaltijd en een broodrantsoen, je verliest met andere woorden de povere 50 gram worst van de avond of de magere portie bonen. En wat de isolatie betreft: die straf wordt beslist en opgelegd door een interne commissie die bestaat uit de directeur, de dokter en de aalmoezenier. Deze laatste, in theorie en volgens de heilige Kerk, zou de verdediger van de gevangene moeten zijn, het is te zeggen, hij zou bij de twee anderen de zaak van de gevangene moeten bepleiten in naam van de liefde en de christelijke liefdadigheid. In feite zou de dienaar van God de gevangene moeten beschouwen als een zoon van God en hem een beperking van de straf of een verlichting van het lijden moeten toekennen. Tegenover de gevangene wordt hij integendeel meestal de derde aanklager. Uiteraard gebeurt dit vooral eens de gevangene buiten de lijntjes is gegaan en zeker als de ‘schuldige’ gekend staat als een slecht christen.

Ik denk dat de gevangenen allemaal in ongenade gevallen armen zijn, arme duivels, maar voor deze grote vader Staat en voor moeder katholieke Kerk moeten ze zich verdeeld voelen in de ‘goeden’ (de berouwvollen) die aan de rechterkant van God zullen zitten en de ‘slechten’ die tot het laatste Oordeel veroordeeld zullen blijven. Het is statistisch bewezen dat de straf die wordt voorgesteld door de directeur maar zelden gereduceerd wordt door de priester. En in mijn geval kan ik zelfs zeggen dat het vaak dankzij de priester is dat mijn straf verhoogd werd. Uiteraard mag iedereen ervan denken wat hij wil, maar voor mij zijn de aalmoezeniers gewoon zwaar krapuul.
De dokter daarentegen, moet zich alleen maar uitspreken over de fysieke conditie van de gevangene en zeggen of hij in staat is de straf te verdragen of niet. Deze meneer handelt in het algemeen met een ‘geprostitueerd en verkocht geweten’ en zal zich maar zeer zelden uitspreken voor de gevangene. Je kan in dezelfde gevangenis in isolatie geplaatst worden of in een andere, dat hangt af van de capaciteit van de gevangenis, of er isolatiecellen beschikbaar zijn of niet.

De isolatie duurt meestal één maand, maar kan gaan tot drie maanden. De cellen die hiervoor gebruikt worden zijn erg eng, benauwd, weinig verlucht, het licht bereikt ze nooit en je ademt er dus een lucht in die door een optimist verstikkend zou noemen. Deze cellen zijn systematisch bewoond door talloze spinnen en hele families vlooien en luizen. De ingang van deze cellen is voorzien van grote tralies en variëert van 50 op 50 cm tot een maximum van 60 op 80 cm. Deze lokalen bevinden zich meestal op de slechtste plaatsen van de gevangenis, meestal ondergronds. Voor de directies is het belangrijk dat ze maximaal geïsoleerd zijn zodat de schreeuwen van de gevangene niet door de anderen gehoord kunnen worden. Er staat ook een bed in deze grafkelders (een militair opvouwbaar veldbed) met een matras van smerig paardenhaar, zo vuil en vettig dat je zelfs gedegouteerd bent om er nog maar op te gaan zitten. Deze ‘matras’ is sinds decennia niet meer gewassen: de urinevlekken die haar versieren dateren in het beste geval van de fascistische periode. In de vouwen van de matras vind je volledige kolonies insecten en parasieten, ook al bestaan er al jarenlang desinfecterende middelen. De smerigheid van deze plekken waar ik meerdere keren heb gezeten is onbeschrijflijk. Naast het bed staat er ook een ijzeren tafel aan het hoofdeinde die zeer goed past bij de smerigheid van de cellen.

Dit interieur wordt verlicht door een lamp die vastzit aan het plafond en ’s nachts maar erg zelden wordt uitgedaan. In bijna alle strafinstellingen blijft de lamp altijd aan om ‘veiligheidsredenen’, zeker als de gevangene onderworpen wordt aan strikt toezicht. Naast de isolatiecellen bestaan er in deze afdeling van de gevangenis ook dwangbuisbedden. De gevangene wordt hierop vastgebonden en ‘behandeld’ door de cipiers en enkele gevangenen die officiëel gezien bij de kuisploeg horen, maar in feite actiever zijn dan een betaalde cipier. Deze kuisers of lozzi, zoals ze gewoonlijk in gevangenisjargon genoemd worden, zijn echte varkens, in staat eender wat te doen tegen een vastgebonden gevangene.
Deze daden, die angst zouden moeten aanjagen, gaan van een wilde afranseling tot zaken die nog veel erger zijn: vaak eindigt het met de ‘kuiser’ die zich masturbeert of pist in de mond van de gevangene. Dat gebeurt vooral wanneer de vastgebonden ongelukkige stomweg om een druppel water of een trek van een sigaret vraagt. Deze zaken gebeuren zeer vaak, en ik heb de onomstotelijke bewijzen van de wanhopigen die ze ondergaan hebben.

Ik ben vaak op het dwangbuisbed beland en elke keer werd ik afgeranseld. Gelukkig is er nooit iemand in geslaagd om in mijn mond te pissen: ik denk dat ik veel geluk heb gehad, want je hebt maar weinig mogelijkheden om te reageren wanneer je vastgebonden bent. Een gestrafte en geïsoleerde gevangene zou normaal gezien ook recht hebben op een uur wandeling, maar in het beste geval beperkt die zich tot 40 à 45 minuten. De andere beperkingen waaraan de gestrafte onderworpen wordt gaan van een verbod om anderen te zien tot een verbod om te schrijven met de familie of om dingen te kopen in de kantine. Conclusie: tijdens isolatie verliest de gestrafte alle minimale rechten die de andere gevangenen wel hebben.

Ik ben een vijftiental keer voor drie maand in isolatie, en een veertigtal keer hebben ze me vastgebonden op het dwangbuisbed. Voor ik daar belandde, kreeg ik uiteraard elke keer de hoorzitting van de ‘grote commissie’ die bestond uit de directeur of de chef van de cipiers, de dokter en de aalmoezenier. Ze straften mij met isolatie en het dwangbuisbed omwille van mijn ontsnappingspogingen, voor mijn protesten en voor de meerdere opstanden die ik heb veroorzaakt, opgehitst of geleid. Eens vastgebonden op het dwangbuisbed ben ik talrijke malen tot bloedens toe geslagen voor tijdspannes die gingen van drie tot vijf dagen.

Ik heb deelgenomen aan alle opstanden die uitbraken in de strafinstellingen waar ik me bevond. Onder de meest heftige opstanden herinner ik me die van Saluzzo, die in Parma waar ik recentelijk aan deelgenomen heb en die van Fossombrone toen we gedurende vier dagen drie afdelingen van de gevangenis in handen hadden. We hebben ons daar pas overgegeven na de tussenkomst van de algemene inspecteur van preventie en gevangeniswezen en van de procureur van Ancona. Ze hebben toen van mijn levendige stem de ‘desiderata’ gehoord die onze opstand motiveerden.
Samen met deze ‘heren’ heb ik de lokale problemen van de gevangenis en de structurele gebreken onderzocht die mijn kameraden en mij het meest tegen de borst stootten. Het bekomen resultaat was een opvoering van het aantal uren wandeling, een zekere verbetering van het eten en vooral de mogelijkheid om twee keer in plaats van één keer per maand een douche te nemen. Daarenboven kregen de jongsten ook de mogelijkheid om voetbal te spelen en werden enkele andere kleine toegevingen van weinig belang gedaan. Deze opstand, waarvan ik de organisator, de inspirator en de herkende verantwoordelijke was, leverde me een mooi ‘reiscadeau’ op naar de gevangenis van Porto Azzurro.
Daar kwam ik aan met de gebruikelijke begeleidende brief die stelde dat ik een zeer gevaarlijk element was en daarenboven een muiter. Dankzij deze aanbevelingsbrief ben ik anderhalf jaar gebleven in de afdeling waar de rebellen vanover heel Italië opgesloten zaten. Na de meest heftige opstanden mocht ik dus een bijzondere repressie ondergaan. Bedankt!

Tijdens mijn ‘vakanties’ in de gevangenis werd ik vaak geslagen en in het bijzonder, zoals ik al zei, na mijn ontsnappingspogingen. De eerste keer was te Genua in 1947. In 1955 ben ik op het eiland van Pianosa zo zwaar afgeranseld dat mijn leven aan een zijden draadje hing. Meer precies moet het gezegd zijn dat ze me daar zoals het reglement voorschrijft op het dwangbuisbed vastgebonden hebben: drie dagen en drie nachten achter elkaar.

Al die tijd had ik geen recht om te drinken of te eten en telkens ik een slok water vroeg, kreeg ik gezouten water en stokslagen. Na mijn ontsnappingspoging in Saluzzo kreeg ik een identieke behandeling en telkens bracht ik via protesten terechte eisen naar voren, met of zonder de steun van de andere gevangenen. De methoden die de Italiaanse cipiers gebruiken om de fysieke gezondheid van een opstandige gevangene te breken zijn:

- vuistslagen en klappen op alle delen van het lichaam, van het hoofd tot de buik, op de rug, op zo’n manier dat de bloeduitstortingen zo min mogelijk zichtbaar zijn;
- voor de zwaardere straffen grijpen onze heldhaftige bewakers naar de afranseling met zandzakken (dit systeem laat hen toe serieuze interne kwetsuren te veroorzaken zonder enig spoor na te laten op de huid van het lichaam. De zakken, die ik maar al te goed ken, wegen tussen één en anderhalve kilo);
- bij bepaalde gelegenheden, kan je vuistslagen krijgen en bepaalde beklemmende grepen ondergaan, in het bijzonder aan de testikels. Deze geüniformeerde smeerlappen draaien en pletten de testikels op een bepaalde manier om een zeer scherpe pijn te veroorzaken.

Deze lijfstraffen worden met twee doelen uitgevoerd: of om de gevangene te laten ‘zingen’, of als straf op zich.
Uiteraard zijn deze straffen niet voorzien in de codes of reglementen. Het gaat om officieuze daden die door de Staat stilzwijgend worden overgelaten aan de discretie van de cipiers. Toen ik probeerde te ontsnappen, werd ik geslagen en gefolterd omdat ze wilden weten hoe ik de zaag had bemachtigd, wie me de zaag had opgestuurd, wie mijn medeplichtigen waren, etc. Na de revoltes daarentegen onderging ik hun speciale behandeling omdat ik het had aangedurfd om de wet, de orde en de artikels van het gevangenisreglement te tarten. De folteraars zijn over het algemeen onbekwaam, beulen die ondergeschikt zijn aan de bevelen van hun oversten: de chef beveelt, de huurlingen voeren slaafs uit.
Deze individuen zijn onbewusten en analfabeten, krapuul dat niets anders is dan een groep van bravi (1) die ter beschikking staan van de directie. Deze huurlingen zijn tot alles bereid, ook tot moorden, als de directeur ‘het verlangt’. Maar zelfs dan kan je nog onderscheid maken tusen de individuen. Sommigen folteren alleen maar om te gehoorzamen aan de bevelen van een overste. Anderen, het grootste deel, folteren met veel plezier: op een bloeddorstige en verbeten manier. Zo ontladen ze hun libido, hun opgekropte haat en wreedheid.
Ik denk dat de slechtheid die hen kenmerkt voortgebracht wordt door het milieu vanwaaruit ze komen en waarin ze vele jaren vertoefd hebben: milieus waar geweld de absolute regel is. De intellectuele en morele toestand van deze mensen is zo laag dat ze in staat zijn op het minste te reageren en eender wat te doen met de grootste bloeddorstigheid, terwijl ze er zeker van zijn dat ze nooit één of andere legale sanctie zullen krijgen en dat ze goed beschermd worden door de gevestigde autoriteit, door de Staat.
Die gewelddadige omgeving die deze individuen heeft doen degenereren wordt geproduceerd door een hiërarchische, dus gewelddadige en onmenselijke maatschappij. Het is geweten: geweld is oorzaak en gevolg, het is een andere definitie voor de Staat. De cipiers zijn er de laagste schakel van en uiteraard de meest extreme schakel van het geweld van de Staat tegen het individu. Ik heb dit allemaal overleefd door voortdurend te reageren, dankzij een zin die naar mijn mening zowel voor zij die opgesloten zitten als zij die buiten zijn geldig is:

“De rebellie is het adeldom van de slaaf.”

(1) I Bravi: door de lokale heer betaalde beulen om hun laagste opdrachten uit te voeren vanaf de 17de eeuw.

Reageren om niet te sterven

Om niet ‘burgerlijk’ te sterven, of beter, opdat het verstand niet afsterft wanneer je een lange veroordeling moet uitzitten, moet je reageren door te lezen, te schrijven en te denken. Maar in de Italiaanse gevangenissen, bestaan er jammer genoeg geen grote bibliotheken.
In het algemeen is het erg moeilijk om er boeken van klassieke auteurs of biografiën van wetenschappers te vinden. De gast van de gevangenis kan in de bibliotheek bijna alleen maar teksten van openlijk kerkelijke of fascistische auteurs vinden.
In de gevangenis van San Vittore in Milaan is er een enorme bibliotheek die ‘slecht’ gecontroleerd wordt door de aalmoezenier. Dankzij zijn vadsigheid kan je er teksten van Spencer, Darwin, Hemingway, Kant en Hegel vinden. Deze teksten heb ik met plezier herlezen, aangezien een heel deel ervan, ondanks het repressieve fascistische klimaat, reeds in die tijd beschikbaar was. Jammer genoeg heb ik niet alleen in Milaan opgesloten gezeten.
In Fossombrone, Pianosa, Parma en Castelfranco is er niets leesbaars te vinden. In sommige gevangenissen zou ik zelfs tevreden zijn geweest met Pinocchio. Daar waar er niets te vinden was om te lezen, reageerde ik door te peinzen en na te denken. De Italiaanse gevangenissen hebben maar een mager aanbod van kranten. Tot voor kort kon je alle rechtse dagbladen en weekbladen vinden (het meest ‘linkse’ blad was gedurende decennia Famiglia Cristiana). Ondanks de komst van de socialisten in het parlement of in de regering na 1963, kwamen zelfs ABC en Espresso niet voorbij de poorten van de gevangenis. Als een gevangene daarentegen teksten van profascistische kranten wilde, moest hij alleen maar moeite doen om iets te kiezen uit het aanbod. Ik herinner me dat iemand de oude nummers van Candido en Il Borghese gevraagd had. Hij kreeg ze nog dezelfde dag.
In Fossombrone heb ik meerdere keren geschreven naar de minister van Justitie en Gratie om een toestemming te bekomen om Umanità Nova, de krant van de Anarchistische Federatie, en L’Unità, de krant van de communistische partij te krijgen. Na een reeks van protesten en andere aanvragen, heb ik de toestemming gekregen om L’Unità te lezen. Umanità Nova is me 32 jaar lang niet toegekend: ik denk dat ze het blad beschouwden als te opzwepend voor een gevangene. L’Unità (afgezwakt als ze toen al was) bleek geen probleem.
Naast deze burgerlijke kranten en enkele uren televisie, bleef er geen andere mogelijkheid meer over dan mijn verstand op een autonome manier te gebruiken: ik ben gewend geraakt aan peinzen en denken. Eén van de systemen die ik meedere keren heb gebruikt om de tijd te doden en niet afgestompt te raken, was om passages uit boeken en gedichten van bekende auteurs tegen mezelf te herhalen, die ik toen ik jong was had bestudeerd. Ik zou niet weten hoeveel keren ik A Silvia van Leopardi, L’inno a Satana en de Odi barbare van Carducci gereciteerd heb.
Mijn voorkeur ging uit naar de uitgaven van Sonzogno en naar de populaire en socialistische verdeling uit het begin van de eeuw van Darwin, Keppler en Einstein. Wat de geschiedenis van de anarchistische beweging betreft heb ik enorm veel nagedacht over personen als Cafiero die met de complimenten van Karl Marx de eerste zes hoofdstukken van Das Kapital in het Italiaans heeft uitgebracht. Ik heb me verschillende keren het waarom van deze publicatie afgevraagd. Ik heb die vraag beantwoord met de woorden van de libertaire internationalisten van toen: “Het vertalen en onthullen van ideeën, het verspreiden van alles wat kan dienen om de massa’s te doen nadenken is altijd revolutionair. Wanneer mensen kritisch worden door te lezen en te studeren, ontwikkelen ze automatisch de zin voor de rebellie en het verlangen om de maatschappij revolutionair te veranderen.”

Ik doodde de tijd door te mediteren en zo verliep mijn veroordeling. Het was alsof ik las: het uur van de wandeling en de maaltijd kwamen snel en met de wandelingen en het voedsel gingen de maanden voorbij. Zo was het echter niet voor het merendeel van de andere gevangenen. Hun verstand was vaak verstoken van enig idee, ze hadden zich nooit gewend aan studeren of aan nadenken.
Het is triestig en luguber voor de mensen die veroordeeld zijn tot de gedwongen eenzaamheid om geen ankerpunten te hebben om aan vast te klampen of ideeën om over na te denken. Het verstand van deze mensen gaat er elke dag op achteruit. Het kan niet anders dan dat ze afstompen en degenereren. Na de oorlog werden alfabetiseringslessen van een elementair niveau ingesteld voor de gevangenen. De lesgevers werden met mondjesmaat aangeworven door de directies van de gevangenissen: ik heb onder hen alleen maar democraten en fascisten tegengekomen. In plaats van zich te richten op de culturele problemen van hun leerlingen die tussen de 20 en 80 jaar zijn, praten de leraars met hen over sport en leren de leerlingen niets. Honderden gevangenen hebben het studiebewijs bekomen zonder te weten hoe ze een aftreksom met drie cijfers moeten maken, zonder de naam van Garibaldi of het aantal Italiaanse onafhankelijkheidsoorlogen te kennen. De scholen hebben als enige doel te ‘tonen’ aan de buitenwereld dat de gevangenis een heropvoedingsomgeving is.
Naast lezen en nadenken, heb ik ook de tijd gedood met schrijven om sclerose te vermijden. Uiteraard vallen mijn schrijfsels niet te onderwerpen aan literaire kritieken. De waarde van mijn geschriften is uiterst subjectief. Ik heb nooit veel belang gehecht aan wat ik heb geschreven: ik schreef gedichten met de metriek van de klassieken van de vorige eeuw. Ik denk niet dat de metriek die ons werd aangeleerd vandaag nog in de mode is. De thema’s die ik ontwikkelde waren heel divers: de dood van kameraden in de gevangenis, de lente, de liefde, de natuur, Pietro Nenni…

Het grootste deel van mijn schrijfsels wierp ik in de vuilbak nadat ik ze had voorgelezen aan geïnteresseerden, of zelfs direct nadat ik ze geschreven had. Ik heb er nooit aan gedacht om wat ik geschreven heb te verzamelen of te bundelen, in het bijzonder omdat ik nooit de zekerheid gehad heb om levend de gevangenis te verlaten. Wat ik nog heb zijn niet meer dan de laatste blaadjes die nog in mijn zak staken toen de deur van mijn cel openging om me ‘vrij’ te laten.
Ik heb ooit zelfs geprobeerd om een tragedie samen te stellen. Nadat ik die in versvorm gegoten had, heb ik ze in proza herschreven in de hoop haar meer ‘verteerbaar’ te maken. Het thema was geïnspireerd op de witte doden van het werk (de tragische dood van zij die in de smeltoven van een fabriek vallen of die verstikt worden door mijngas). Ik kreeg het idee voor deze tragedie na het lezen van een fait divers toen ik in 1964 in de gevangenis van Ragusa op Sicilië zat. In dezelfde gevangenis ontwikkelde ik de tragedie vanuit een oud anarchistisch lied van Pietro Gori, Le Quattro Stagioni. Het was jammer genoeg eveneens in Ragusa waar de cipiers me de manuscripten tijdens een celdoorzoeking afgepakt hebben . Ik denk dat ze die vernietigd hebben en daarmee ook het verlangen om een andere te schrijven.*

* Hier eindigt het manuscript van Belgrado Pedrini: het is jammer genoeg niet volledig ten gevolge van zijn vroegtijdig overlijden.

Artikels van Belgrado Pedrini in l'Amico del Popolo

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License