Strategie en methodes

Uitbuiting is de basis van het kapitalistische systeem. Zonder een terroristische dictatuur gebaseerd op armoede, angst en dood van enkelen over velen, zou de kapitalistische overheersing tot een einde komen.

Dit bepaalt de klassenstrijd. Hoewel de uitgebuitenen zich lijken aan te passen en compromissen te sluiten, zijn ze constant klaar en bereid. Ze volgen de moeilijkheden van de vijand nauwlettend, bekijken hun verraders (die zichzelf hun verdedigers noemen) met argwaan en wachten op het beste moment om op te staan en te rebelleren.

De sociale botsing wisselt tussen acute confrontaties en meer stille situaties. Er worden nieuwe theorieën en praktijken ontwikkeld die nooit een simpele herhaling zijn van wat vroeger al gezegd is. Elk historisch moment brengt nieuwe tegengestelde zijden voort: nieuwe bazen, nieuwe verraders, nieuwe uitgebuitenen, nieuwe aanvalsstrategieën tegen de uitbuiting, nieuwe pogingen tot repressie.

Ruw gesproken, kunnen we stellen dat het kapitalisme zich beweegt van repressie door het economische apparaat naar repressie door het politieke apparaat. In het verleden, in de voor het kapitaal vrolijkere tijden, waren grote delen van de bevolkingen bereid zich aan te bieden in ruil voor een loon: alles werd dus overgelaten aan de illusies van zelfregulerende marktprincipes. Deze lagen beginnen af te slanken, met een stijging van de loonkosten tot gevolg, of wanneer sociale druk de werkgelegenheid buiten alle proporties heeft doen groeien, worden de automatische evenwichtsmarges van het systeem gereduceerd en keert het zich naar meer open politieke en repressieve strategieën. De Staat intervenieert massaal om zowel het economische als sociale proces te reguleren. De problemen worden acuut, de politie is het hart geworden in de handhaving van de sociale orde, met het afwachtende leger aan haar zijde.

De strategie van de uitgebuitenen evolueert ook voorbij het vakbondstype van organiseren - een organisatiemethode die beantwoord aan de vrije markt-fase van het kapitaal - naar een meer onsamenhangende procedure, schijnbaar onzeker en contradictoir, maar die toch levend en creatief is en dichter bij het perspectief van zelforganisatie ligt. Dit proces verhoogt het niveau van de strijd, en laat misschien zelfs het gebruik van gewapende strijd toe.

Het zou niet contradictoir mogen lijken dat de uitgebuitenen met creativiteit en zelforganisatie antwoorden op de pogingen van de Staat om haar orde op te leggen. De stijgende repressie doet vele mechanismen opflakkeren, en één daarvan is net de verhoging van het niveau van de sociale botsing.

Meer nog: dit komt als een resultaat van de verslechterende omstandigheden waarin grote lagen zonder loon niet langer geduldig wachten tot ze - in ruil voor ellendige lonen - worden toegelaten tot de wereld van de productie. Hoop op betere tijden, op meer consumptiegoederen en betere lonen zijn veel effectievere teugels dan de politie of het leger.

Repressieve strategieën en methodes.
Strategieën zijn de keuzes voor bepaalde methodes die toegepast worden in de sociale strijd. Methodes zijn stabiele en welomschreven procedures, die amper kunnen veranderd worden - alleszins binnen het huidige kader van uitbuiting.

Waar strategieën gelinkt zijn aan korte termijn-omstandigheden en voortdurend geactualiseerd, veranderd, bediscussieerd, en wanneer nodig, ongeschikt verklaard moeten worden, staan methodes vast, die een garantie bieden voor de continuïteit die de strijd op beide fronten kenmerkt. Strategieën veranderen constant in het licht van de botsing tussen de klassen, maar de gebruikte methodes blijven dezelfde.

Zoals we gezien hebben, gebruikt het kapitaal verschillende methodes op verschillende momenten: het gaat van een vrijemarktlogica tot genationaliseerde productie, het mengt toegenomen productiviteit met minder militaire repressie en omgekeerd. Soms intensifieert het het consumentisme, soms reduceert het het door bijvoorbeeld monetaire mechanismen in plaats van belastingen te gebruiken. Op nog andere momenten gebruikt het systeem openlijke repressie door een gesloten regime met nationalistische poppenkastpolitiekers en geüniformeerde martelaars te vestigen om alle verzet in bloed te smoren. Maar al deze strategieën zijn gebaseerd op vier basismethodes:

Informatie gecontroleerd door de machtsstructuren. Dit is niet alleen het werk van de media, maar ook alles dat gebaseerd lijkt te zijn op raadpleging van de bevolking: verkiezingen, keuze van werk, keuze van cultuur, gebruik van vrije tijd, consumentisme, politieke opinies, ethische waardenschalen,…

Gedifferentieerde opvoeding van de verschillende sociale klassen. Niet een loutere kwestie van onderwijs: het is een doorlopend proces. Het is de methode die gecontroleerde informatie die anders in het niets zou verdwijnen bekrachtigt en inplant. Een serie van gecoördineerde processen die ethische waarden produceren en bevestigen, vaak toegepast op een massaal niveau, maar soms ook beperkt tot een minderheid.

Politieke en sociale hervormingen. Elk van de afzonderlijke projecten van de macht moet bekeken worden als een deel van een voortdurend veranderend geheel. Zelfs de meest tirannieke systemen van het verleden bewogen zich in de richting van aanpassing en compromis met de onderdrukten. Absolute repressie is een mythe, een ideaal dat geen enkele heersende macht lang kan volhouden. Er wordt altijd de voorkeur gegeven aan een mix van pure repressie en reformistische compromissen. De moderne democratieën bewandelen deze weg al lang.

Terroristische repressie van elk gedrag dat afwijkt van de gevestigde norm. Dit gaat van sociale afkeuring tot georganiseerde terreur door de politie, het leger, de rechtbanken, de gevangenissen,… tegen iedereen die probeert te heroveren wat van haar is afgenomen. In het laatste geval zal de Staat ofwel organisaties die bestemd zijn voor andere activiteiten maar hun terroristische plichten vervullen als het nodig is (vakbonden, partijen, scholen, politieke bewegingen, ziekenhuizen, culturele structuren, kranten, televisie,…) gebruiken, ofwel specifieke terroristische organisaties die door de Staat zelf gecreëerd zijn: het leger, de politie, het justitie-apparaat, extreem-rechts, politieke bewegingen, professionele moordenaars, georganiseerde misdaad,…

Het moet gezegd worden dat geen enkele van deze methodes een andere uitsluit, maar dat ze op hetzelfde moment worden toegepast met interessante resultaten. Denk bijvoorbeeld aan het effect dat de ontwikkeling van de informatietechnologie heeft op het opvoedingsproces. ‘Informatica’ hangt overal in de lucht. In essentie wordt de repressie, zoals we al zeiden, geïntensifieerd als de andere twee methodes tekenen vertonen van vertraging of inefficiëntie. Het omgekeerde proces, een reductie van het Staatsterrorisme, neigt ertoe traag te zijn terwijl de organisaties en mentaliteiten wiens gebruikelijke methodes geweld, folter en moord zijn moeilijk vergaan.

Revolutionaire strategieën en methodes.
Het verschil tussen strategieën en methodes is constant aangezien het een kwestie is van de actievormen waarover men beschikt. Of je nu politieagent of revolutionair bent, je kan het niet nalaten om de strategisch verschillende toepassing van een aantal basismethodes te bestuderen.

Strategieën zijn direct verbonden met de omstandigheden van de sociale botsing op een gegeven moment, niet simpelweg een gevolg ervan. De revolutionair probeert voortdurend in de realiteit te handelen, haar te doordringen en haar te veranderen met acties. Maar deze acties, als ze verder gaan dan het veld van de illusie, moeten het niveau van de klassenbotsing in overweging nemen.

Wanneer het niveau van de klassenstrijd laag is, met brede lagen van het proletariaat die uitgesloten zijn van looninkomsten en met het kapitaal dat zich overlevert aan irrationele marktkrachten, zal de revolutionaire strategie de versterking van de beweging zijn, het doordringen van de verschillende sectoren van de wereld van het werk en de werkloosheid tussen arbeiders, huisvrouwen, werkers en studenten.

Op een hoger niveau van klassenstrijd begint het kapitaal teken van instabiliteit te vertonen. De Staat intervenieert zwaar om een niet-tolereerbare situatie gecreëerd door de onmogelijkheid van de kapitalisten om de economie te managen, recht te trekken. De terroristische repressie van de Staat neemt toe, samen met het gebrek aan werk en ‘welzijn’. Hier zal de revolutionaire strategie in de richting gaan van een intensifiëring van de gewapende aanval en dus een progressieve groei en kwalitatieve vooruitgang van clandestiene gewapende organisaties.

Tussen deze twee richtingen - die elkaar niet tegenspreken, maar elkaar versterken en met aanzienlijke kracht elkaar beïnvloeden - is er een hele reeks van strategische keuzes mogelijk. Die tonen de diepgaande verschillen aan binnen de revolutionaire beweging: de anarchistische tendens in de richting van de kwaliteit van de strijd en haar zelforganisatie, de autoritaire tendens in de richting van kwantiteit en centralisatie.

De methodes die aan de basis liggen van de verschillende revolutionaire strategieën kunnen op deze manier opgedeeld worden:
Vrije informatie die zich beperkt tot de gebeurtenissen zoals ze zijn, zonder politieke of ideologische verminking. Natuurlijk is dit een onmogelijk ideaal, maar de methode van informatieverspreiding moet er toch naar streven, echte gebeurtenissen zo goed als mogelijk over te brengen en situaties bekend te maken die anders totaal gestoord zouden worden door de informatie die gecontroleerd wordt door de macht.

Theorieën over de omstandigheden van de sociale strijd, analyses van gebeurtenissen die focussen op feiten en ze in een bredere context plaatsen. Deze tweede methodische trap dient om informatie begrijpelijker te maken, haar te laten spreken en haar te ontrukken aan de doofstomme context van het crimineel valse nieuws dat verspreid wordt door de macht.

Intermediaire strijd, waar revolutionairen interveniëren in bepaalde aspecten van het sociale conflict: scholen, fabrieken, huizen, land,… Elke strijd op zich bekeken riskeert geabsorbeerd te worden en draagt vaak bij tot de versterking van de uitbuiting door een aantal van haar irrationele aspecten recht te trekken. Ook al is het maar gedeeltelijk en omfloerst, op deze momenten kunnen de proletariërs de informatie en de theorie begrijpen. De dingen zouden anders op een puur theoretisch en betekenisloos niveau blijven. Het is in de strijd zelf, zelfs in de beperkte strijd ter verdediging van rechten of van verworvenheden, dat we ons voorbereiden op een mogelijke verhoging van de strijd.

Gewapende strijd, gebruikt de methode van de gewapende aanval tegen de Staat, haar organisaties en structuren, haar dienaars, rijkdom en projecten. Het feit dat deze methode vaak deel is van strategieën op de hogere niveaus van de klassenstrijd, betekent niet dat het ‘hoger’ of meer efficiënt is, of een meer revolutionaire strijdmethode dan andere methodes. Het is een andere methode, met haar eigen kenmerken, beperkingen en kwaliteiten, maar kan niet geplaatst worden op de hypothetische schaal van revolutionaire waarden. Eén niveau van bewustzijn geeft een proletariër de aanleiding om een pamflet aan de fabriekspoort uit te delen, een ander om zichzelf te bewapenen en terug te nemen wat van haar afgenomen is of om een politieagent of rechter omver te schieten. Een ander maant hem aan om de fabriek aan te vallen, de productie te saboteren en de stocks te beschadigen. Nog een ander niveau leidt ertoe dat ze zich gaat associëren met anderen die in dezelfde situatie zitten, mannen en vrouwen die bewust samenkomen om een aanval op de klassenvijand uit te werken.

Geen enkele van deze methodes sluit een andere uit. Integendeel, ze dringen in elkaar door en ondersteunen elkaar. Het is daarom nooit mogelijk om één precies moment te identificeren waarin die of die methode gebruikt moet worden. Ze worden tegelijkertijd gebruikt en werpen vruchten af naargelang de beperkingen en perspectieven van de strategieën waarin ze worden aangewend.

Het probleem van de strategie.
Een aanvalsstrategie is voor de dromers van de revolutie van weinig belang. De illusie bestaat dat de waarheid uiteindelijk zal triomferen en, zoals de christelijke martelaren voorwaarts marcheerden, de fakkel van de ideologische zuiverheid wordt hoog gehouden, terwijl zij die door deze illusie bekoord worden vaak erg ver weg blijven van de realiteit.

In feite hebben de proletariërs en de uitgebuitenen in het algemeen en de lagen van het lompenproletariaat die zeer acute niveaus van onderdrukking ondergaan, geen heldere ideeën. De gelijkstelling uitbuiting/helder begrip is helemaal niet waar. Iemand kan een heel leven in ketenen leven, ze voortslepen en nog geloven dat hij geleefd heeft dankzij in plaats van ondanks hen. Dit punt kan maar moeilijk te veel benadrukt worden. Informatie op zich is niet genoeg. Strijden moeten ontwikkeld worden, zowel op intermediaire als langere termijn. We hebben heldere strategieën nodig om de verschillende methodes op een gecoördineerde en vruchtbare manier te gebruiken.

Als anarchisten richten we ons op kwalitatieve groei in de beweging en steunen we haar zelforganisatie. We onderscheiden ons hierdoor van autoritairen en stalinisten die een massale kwantitatieve groei gebaseerd op totale controle en ‘democratisch’ centralisme voorstaan. Maar dit betekent nog niet dat we tot in de eeuwigheid moeten wachten totdat de mensen zich met hun kwaliteit en creativiteit organiseren. We moeten directer handelen, als een specifieke minderheid. Dit betekent het op ons nemen om acties uit te voeren die de uitgebuitenen, op een bepaald niveau van de klassenstrijd, niet zelf kunnen ontwikkelen. Als we erin mislukken dit te doen, dan zullen we eindigen in de handen van de stalinisten, en het proletariaat met ons.

Een paar voorbeelden:

Als we informatie verspreiden, moet die zo duidelijk mogelijk verband houden met de realiteit om ideologische verminking te vermijden. We kunnen niet verwachten van de uitgebuitenen dat ze onmiddellijk na het lezen van onze informatie handelen, dat ze het aanwenden voor hun eigen spontaan gebruik. Met zo’n veronderstellingen zouden we rechtstreeks naar de mislukking rennen en eindigen met het verspreiden van een vreselijk mengsel van platte uitspraken en betekenisloze veralgemeniseringen. We zouden daarentegen een revolutionaire kritiek moeten toepassen op bijdragen aan onze publicaties om ze zo op een meer coherente manier binnen onze strategie te plaatsen. Ons werk zal nooit puur ‘objectief’ zijn zonder zichzelf als informatie te ontkennen.

We moeten onszelf ertoe dwingen de dingen te zien zoals ze zijn, niet hoe we zouden willen dat ze zijn. Onze innerlijke liefde voor de utopie - van grootse nobelheid en sentimentaliteit - moet de tweede plaats krijgen tegenover de nood aan analyses gebaseerd op de realiteit. Om dit te doen, of om het simpelweg te begrijpen wanneer het gedaan wordt door andere kameraden, moeten we onszelf voorzien van een aantal basisinstrumenten. We zouden onszelf evengoed kunnen beperken tot cafépraat als we niet zouden beschikken over wat basiskennis (en misschien zelfs wat meer dan dat) over economie. De onherroepelijke weigering om onze studies over bepaalde instrumenten zoals economie, geschiedenis, filosofie, Staatsadministratie, openbare uitgaven,… uit te breiden is gebaseerd op de verkeerde interpretatie van het anarchistische concept van vernietiging.

Anarchisten staan vaak weigerachtig tegenover deelname aan intermediaire strijden. De simpelheid ervan bezorgt hen nachtmerries. Ze beelden zich in dat ze zich zullen compromitteren met andere, niet altijd ‘propere’ politieke krachten, en dat ze er niet toe in staat zijn met hen samen te werken op het niveau van intermediaire eisen of politieke drogredenen. Dit blokkeert vele initiatieven al vanaf de eerste stap van informatie. Door dit te doen tonen we ons gebrek aan vertrouwen op de grote duidelijkheid van het anarchistisch discours dat de nood om vertegenwoordiging van de strijd te weigeren aantoont. Dan zijn ze verbaasd en doen ze neerbuigend over het feit dat proletariërs geen heldere ideeën hebben, falen te begrijpen waarom ze hun strijd niet door anderen moeten laten vertegenwoordigen en blijven bedrogen worden door de professionele politiekers. Deze tragikomische situatie wordt vaak duidelijk in publieke debatten, conferenties en manifestaties die samen met min of meer revolutionair links werden georganiseerd. De anarchisten beginnen er gedreven aan, doen alles om betogingen georganiseerd te krijgen, werken hun eigen informatie met grote precisie en duidelijkheid (door pamfletten, posters, lezingen, conferenties,…) uit, en dan bereiken ze een mentale blokkering. Ze laten het politieke beheer van de gebeurtenis over aan andere krachten. Het zijn vaak deze krachten die de grote propanganda-energie van de anarchisten uitbuiten en de media manipuleren, waarmee ze gezegd willen hebben dat zij de enigen zijn die in staat zijn iets te doen tegen de macht.

Ondertussen zijn de anarchisten teruggekeerd naar hun groepen en vragen zichzelf af hoe het ‘in hemelsnaam’ mogelijk is dat ze, opnieuw, gefaald zijn om de politieke overname van hun initiatieven te voorkomen. Op hetzelfde moment blijven ze bereid en beschikbaar voor toekomstige vragen naar samenwerking.

We kunnen niet halverwege deze zaken stoppen. Eenmaal begonnen, moeten we blijven verder doen om pogingen tot overname te vermijden, zelfs met politieke middelen. Uiteindelijk kunnen ook wij, voordat de stalinisten het overnemen, interveniëren. En ook wij, zeker wanneer we eveneens de betoging hebben georganiseerd, kunnen op het einde van de conferentie of meeting bepaalde moties doen passeren zonder ons meer ‘vuil’ of ‘gecompromitteerd’ te voelen dan wanneer we samenwerken met andere linkse politieke groepen. Deze problemen opzij schuiven, ze als onbelangrijk en zinloos beschouwen, impliceert het grote risico dat we de vruchten van ons intermediair werk niet kunnen plukken en dat we bij het proletariaat overkomen als kameraden die er toevallig zijn naast de veel meer georganiseerde andere politieke fracties. Dit geeft aan de uitgebuitenen het idee dat partijleiderschap onontbeerlijk is, de stalinisten krijgen een handje hulp in hun grimmig kwantitatief werk en wat wij bij het begin hebben proberen bouwen gaat verloren.

Het is niet nodig om bang te zijn om onze handen vuil te maken door methodes van intermediaire strijd te gebruiken zolang de doelen van de anarchisten heel de tijd duidelijk blijven, dat de trucjes van de professionele politiekers aangetoond worden en dat de risico’s van het autoritarisme bekend zijn. Dit kan tot op zekere hoogte bekomen worden door niet terug te deinzen voor discussies en ruzies met de autoritaire politieke haaien.

In de clandestiene gewapende strijd kunnen de dingen niet zomaar aan improvisatie of spontaniteit van individuen en kleine groepen worden overgelaten. Deze methode is zeer expliciet en is van erg groot strategisch belang, samen met interventies van andere methodes. Vanuit sabotage en de acties van individuen en erg kleine autonome groepen kunnen vrij brede niveaus worden bereikt, die in staat zijn tientallen groepen en honderden kameraden te betrekken. Het is belangrijk op te merken dat de kwalitatieve ontwikkeling van gewapende revolutionaire actie in contrast komt te staan met een aantal van haar onmisbare kwantitatieve noden. Een paar kameraden kunnen niet veel doen, maar het is een fout om te denken dat een eenvoudige groei van aantallen de weg vrijmaakt voor een juist gebruik van gewapende strijd als methode. In het algemeen wordt er in de organisatorische fase gekeken naar de creatieve ontwikkeling van ideeën, analyses, interpersoonlijke relaties, acties, contacten met de buitenwereld en de verspreiding van het strategisch project. Een groei van aantallen komt achteraf en zal in ruil een aanzienlijk effect hebben op de kwaliteit van de organisatie. We moeten in geen enkele van beide richtingen te ver gaan: noch puur in aantallen denken, noch het andere extreem om te geloven dat het alleen de kwaliteit is die telt. Deze schijnbare contradictie bestaat alleen maar wanneer de methode gezien wordt als iets onmiddellijk en omlijnd in plaats van op lange termijn.

Verschillende aspecten van de gewapende strijd kunnen ook gebruikt worden in de intermediaire fase van informatieverspreiding. Op dit punt zal het niet evident zijn om die te verspreiden, maar wel om de informatie te ‘accentueren’. De invalshoek is hier belangrijk. Niet het ‘stoer gebekt’ zijn, maar de dingen duidelijk stellen en ze versterken met ‘hardere’ vormen van interventie zal het ontwaken van het bewustzijn stimuleren en een creatieve bijdrage leveren tot kwantitatieve groei in de toekomst.

Alfredo M. Bonanno

Uit: Insurrection, nummer 2, 1984.

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License