Tweede vervolg van vernietig het werk

Fabriek en kwaliteit

Het gevecht voor kwaliteit in de productie, een reflex van de oude ideologie van het gevecht voor de kwaliteit van het leven, is gericht op het veroveren van ruimere gebieden van de markt door fabrieksmodellen voor te stellen die ooit als ‘futuristisch’ beschouwd werden.Hoewel dit klaarblijkelijk gericht is op de verovering van nieuwe ‘klanten’, verbergt het een ander -en misschien nog veel meer andere - aspect dat van tel is.

Eerst en vooral: het gevecht voor kwaliteit heeft tot op een bepaalde hoogte altijd al bestaan, in de zin dat in de fabrieken kwaliteitscontroles altijd bestaan hebben. Het management heeft zich nu gerealiseerd dat gecomputeriseerde controle van het eindproduct niet alleen kostelijk maar ook zinloos is. Zulke controle beperkt zich immers tot het vaststellen van een gebrek aan kwaliteit, waardoor er middelmatige en vaak inacceptabele producten op de markt terechtkomen.

De beweging richting kwaliteitscontrole, een ware revolutie in de herstructurering, ver voorbij wat het op het eerste zicht lijkt, zou onmogelijk zijn geweest in het oude tayloristische systeem van bandwerk waar de individuele arbeider de tijd in de gaten moest houden. Het oude systeem was gebaseerd op verhoging van het werkritme en stijging van de output. Kwaliteit was een marginaal aspect van de technische kant van de productie, samen met grondstoffen, het gebruik van machines, afvalreductie,…

De komst van gerobotiseerde productie-eenheden in plaats van de lopende band heeft ook wat veranderd bij de weinige arbeiders die nog overblijven, zij die zorgen voor de niet-geautomatiseerde afwerking. Deze arbeidskrachten zijn nu ingelijfd in de ideologie van de patronage, begonnen in Amerika en tot in de uiterste consequenties ontwikkeld door de Japanse industrie.

Dit middeltje is gebaseerd op futuristische technieken die werden gebruikt door Volvo begin jaren 70, zoals de zogenoemde productie-eilanden. De arbeidster werd beschouwd als de leverancier van een hypothetische klant in dezelfde fabriek. Zo werd de arbeidster die instond voor de afwerking van de deurvergrendeling van een auto beschouwd als de leverancier van de arbeidster die instond voor de afwerking van de autodeuren. Zij werd op haar beurt beschouwd als leverancier van de controleur van het autoframe, en zo verder tot aan de laatste klant - niet de koopster van de auto, maar de baas van de productie-eenheid die het afgewerkte product controleert. Op elk punt, door beloningen en aanmoedigingspremies, werd elke individuele arbeidster aangepord om defecten te melden. Als de arbeidster die de vergrendeling maakt slechte stukken laat doorgaan, wordt ze door haar collega bij de afwerking van de deuren aangegeven als die merkt dat de vergrendeling niet goed functioneert. Zij doet dit door een gele kaart op een bord te plaatsen. Dit leidt niet tot sancties: dat zou immers leiden tot verzet aangezien niet iedereen bereid is om te spioneren. De gele kaart duidt alleen op de slecht functionerende vergrendeling, de kaart is op geen enkele arbeidster persoonlijk gericht. Het is alsof een klant een claim zou maken bij een manager, alsof binnen één fabriek mensen producten produceren en leveren aan elkaar. De gele kaarten worden bediscussieerd op een sectormeeting waar de oorzaken van de technische fout worden onderzocht en oplossing gevonden.

We kunnen een aantal bemerkingen maken over deze interne collaboratie die van de oude arbeidersklasse wordt gevraagd. Ten eerste is het een idee dat dichtbij zelfbeheer komt. Het is veiliger omdat het de arbeidsters weghaalt van het niveau waar beslissingen worden genomen en hen in een conflictueuze situatie met elkaar op het niveau van de productie steekt. Dit schudt elk idee over zelfbeheer af en elimineert de mogelijkheid tot groei van klassebewustzijn.

Ten tweede zijn deze nieuwe initiatieven mogelijk gemaakt door de computertechnologie die alle taken die verband houden met de productiecijfers, en dus ook met tijd, heeft overgedragen aan totaal geautomatiseerde processen: ze worden uitgevoerd door robots. Deze initiatieven zijn niet beperkt tot de lopende band, maar doordringen de hele productiesetup (administratie, onderzoek, verkoop,…)

Ten derde moeten de consequenties aangestipt worden: klassendesintegratie op de werkvloer, artificiële kwalitatieve competitie, professionele concurrentie waar niets echt aan is omdat het enkel de eigen beperkte omvang van mogelijke interventie bevat, een gereduceerd belang van het stellen van eisen via de vakbond en de verdwijning van alle geavanceerde conflict dat de vakbonden moesten tolereren en managen.

Het voordeel voor het kapitaal is aanzienlijk en gevarieerd: vermijden van kwaliteitscontroles, bekomen van superieure kwaliteit die meer concurrentie op de markt toelaat, gereduceerde kosten en controle over conflict door het te kanaliseren in de richting van eenvoudige marktconcurrentie.

Dit zijn de instrumenten waar de vakbonden ongewapend tegenover staan.

[La fabbrica e la qualità, in ‘Provocazione’, n°25, april 1990.]

Gestroomlijnde productie

Een van de belangrijkste kenmerken van de hedendaagse fabriek is het falen om een volledige automatisering in te voeren; door een gebrek aan perspectief en, als je wil, door de aspiraties van massaproductie.

De historische ontmoeting tussen gecomputeriseerde productie en het traditionele vaste model (rigide lopende bandproductie die deels geautomatiseerd werd door het gebruik van robots) heeft niet geleid tot complete automatisering. Dit is niet te wijten aan technische oorzaken maar aan problemen van economische natuur en de gerelateerde marktcondities. Het gebruik van technologieën die de plaats hebben ingenomen van manuele arbeid heeft het verzadigingsniveau nog niet bereikt. Feitelijk openen er zich constant nieuwe perspectieven die in deze richting gaan. Wat voorbijgestoken is, en zo zinloos is geworden in termen van een maximale winst, is de strategie van de massaproductie.

De computertechnologie die gegroeid is tijdens de begindagen van de postindustriële transformaties staat garant voor flexibiliteit. Die flexibiliteit heeft tot zo’n diepgaande veranderingen in de structuur van de markt en de vraag dat elk perspectief van totale automatisering zinloos wordt. Flexibiliteit en gestroomlijnde productie zijn verhuisd naar het domein van de markt. Ze scheppen een opbloei van nieuwe perspectieven qua vraag die nu enorm verscheiden is geworden. Een verscheidenheid die tot voor kort vrij ondenkbaar was.

Als je de rekeningen van een aantal aandeelhouders van de industrie erop nakijkt, is het makkelijk om te zien dat automatisering kosten schept die op sneltempo oneconomisch worden. Enkel een perspectief van intense sociale beroering zou hen terug naar de weg van totale automatisering kunnen drijven.

Omwille van deze reden wordt de productiekost niet langer gedrukt door een simpele daling van de arbeidskosten, zoals dat de voorbij twaalf jaar gebeurde met de bijna volledige vervanging van de arbeider door computertechnologie, maar ook door een overwogen management van de zogenaamde overproductie. Kort gesteld: een meedogenloze analyse van afval in het algemeen, eerst en vooral vanuit het standpunt van de productie. Eens te meer wordt de producent van vlees en bloed onder druk gezet, onder het mom van de claim dat de computertechnologie weldra alle pijn en uitbuiting die altijd het lot van de loonarbeider waren zou verzachten.

Afvalreductie wordt stilaan het nieuwe doel van gestroomlijnde productie gebaseerd op flexibiliteit en een gegarandeerd productief potentieel. De kosten van deze afvalreductie worden volledig afgeschoven op de schouders van de producent. In feite kunnen mathematische analyses doorheen complexe systemen - die door de grote bedrijven al een tijdje worden gebruikt - de technische problemen zoals de combinatie van grondstoffen en machines makkelijk oplossen. Maar de oplossing van deze problemen zouden nog steeds marginaal zijn tegenover de gehele productie, mocht deze oplossing ook de productieratio’s controleren.

Het oubollige taylorisme komt terug in de mode. Het wordt gefilterd door nieuwe psychologische en informatietechnologietheorieën, de flexibiliteit van de verschillende componenten en de ontelbare kleine producenten die het ondersteunen. Arbeid in termen van tijd is daarom de basiseenheid van de nieuwe productie: controle van tijd, zonder verspilling (maar zonder enige domme regressieve overdrijving) is de onmisbare verbinding tussen het oude en het nieuwe productiemodel.

De nieuwe controlevormen zijn van een overtuigende natuur: ze proberen de geest van de individuele producent binnen te dringen. Ze scheppen generische psychologische condities die de plaats innemen van de externe controles van strikte tijdstabellen. Zelfcontrole en zelfbepaling van werkuren en werkritme nemen stap voor stap hun plaats in, maar dit wordt uiteindelijk nog steeds beslist door het management van de productie-eenheden. Deze beslissingen mogen zelfs komen van democratische discussie aan de basis, van de individuele arbeiders binnen de verschillende productie-eenheden: het proces van zelfbepaling wordt er goed ingebakken.

Op deze manier wordt er gepraat over ‘adaptieve synchronisatie’: niet voor nu en altijd maar periodiek of voor enkelvoudige campagnes of productielijnen geïmplementeerd. Het is erop gericht om belangen van arbeiders en bazen te laten convergeren, niet alleen in de technische sfeer van de productie, maar ook indirect in de sfeer van de markt.

Het is precies de markt die deze twee tendensen met elkaar verbindt in de nieuwe vorm van flexibele productie. De oude fabriek zag zichzelf als het centrum van de productiewereld. Het was het rigide element vanwaar werd vertrokken voor de creatie van meer consumentenbehoeften en de bevrediging ervan. Dat leverde een ideologie op waarin de arbeider centraal stond, gemanaget door een partijleider en gericht op de organisatie van de lotsbestemming van het proletariaat en het hele fabriekssysteem. De verdwijning van dit perspectief kan niet minder duidelijk zijn dan vandaag, niet zozeer door de ineenstorting van het reëel bestaande socialisme dan wel door precies die veranderingen waarover we gepraat hebben. Er is geen kloof meer tussen de rigiditeit van de productie en de chaotische flexibiliteit en onvoorspelbaarheid van de markt. Beide aspecten zijn teruggebracht tot de gemeenschappelijke noemer van variabiliteit en stroomlijning. Dé manier om consumentisme te beïnvloeden, zowel door anticipatie als door creatie, is door het terug te laten gaan op de chaos van de markt en een aanvaardbaar niveau van flexibiliteit. Op hetzelfde moment gaat de rigide oude wereld van de productie in de richting van een nieuwe gestroomlijnde versie. De twee ontmoeten elkaar in deze nieuwe dimensie, waar de toekomstige economische en sociale macht zal gebouwd worden.

[La produzione snella, in ‘Canenero’, n°5, 25 november 1994.]

Een kleine man in Singapore

Barings is een kleine commerciële bank in Londen. Het haalde de voorpagina van de kranten over de hele wereld omwille van de instorting die het resultaat was van een aantal desastreuze operaties die in de Tokyo Stock Exchange waren uitgevoerd door een medewerker van Barings: Nick Leeson, hun agent in de Singaporese tak. Het nieuws zou niet zoveel aandacht hebben gekregen zonder de amateuristische, folkloristische kwaliteit van de riooljournalistiek die sommige economische gebeurtenissen bijna tot fictie van machtige zakenfamilies en financiële krachtpatsers herleidt.
Wat is er echt gebeurd? Dit geval geeft ons een spoor van de speculatieve mentaliteit die zich aan het verspreiden is. Niet alleen bij kleine banken, die gewoon zijn te manoeuvreren als torpedo’s in de stormachtige zee van principes van internationale stockmarkten, maar ook bij de giganten van de sector. De kans op enorme winsten beïnvloedt niet alleen de bereidheid van het individu voor risico’s en avonturen, maar ook de projecten van de meest scherpzinnige en voorzichtige bankiers.
Mensen zoals Leeson zijn niet uitzonderlijk. Ze zijn weinig meer dan ordinaire werknemers die opereren als tussenpersonen voor de stockmarkt. Ze geven orders voor aankoop en verkoop door. De resulterende flux van fictief geld - dat kan veranderd worden in baar geld op het moment van de periodieke verklaringen van rekeningen wanneer ze optellen wat er gekocht en verkocht is - leidt tot onbeperkte groei in de bedragen waarover onderhandeld wordt. Meer nog. De computerisering van kopen en verkopen van contracten heeft snelle variaties mogelijk gemaakt die ooit ondenkbaar waren.
Dit heeft verscheidene gevolgen. We zullen twee van de meer belangrijke hier bespreken. Zulke speculaties maken het mogelijk om het equilibrium van de internationale markt tot aan bepaalde grenzen te herstellen, of alleszins toch dat van de dominantie van de stockmarkt. Dit geeft tijd en mogelijkheden aan de giganten van de wereldeconomie om ontsnapping te zoeken, om de slagen die ze elkaar toebrengen in de veroveringen van de markten af te zwakken, om betere orders te vinden, om de keuze van programma’s en productielijnen te veranderen en om nieuwe producten en nieuwe consumentenideeën te importeren. Vroeger, in het aanzicht van een mogelijke instorting van de beurs, was de strategie van de multinationals discreter en voorzichtiger, nu gaat het meer en meer de agressieve toer op. Betekenisloze garnalen als Leeson werken als slaven, opgesloten in gouden kooien om deze telematische realiteit mogelijk te maken.

Tweede punt. Banken hebben nu een niet-voorgaande belangrijkheid veroverd. Ze zijn niet langer loutere kassiers, maar economische operatoren. Het is te zeggen: ze werken op zichzelf, maken projecten en managen grote delen van de taart van de financiële markt. Uiteindelijk worden hogere en hogere aandelen (zoals aandelen gebaseerd op zogenaamde ‘bijproducten’: trends op de indexen van de verschillende wereldbeurzen) gecreëerd. Er is geen enkele relatie meer met de concreetheid, of op z’n minst uitzonderlijk, van de individuele bedrijven.

Vanzelfsprekend moet op het einde van de dag de rekening betaald worden voor de instorting van een individuele bank of de dekking die reddende anderen hebben gegeven.

We laten het aan jou over om te raden wie er betaalt.

[Un piccolo uomo a Singapore, in ‘Canenero’, n°18, 10 maart 1995.]]

De ethische bank

Een bank die garandeert dat ze met geld op een ethische manier zal omspringen, met andere woorden een bank die functioneert binnen een globaal project van rechtvaardigheid, solidariteit, autonomie en geweldloosheid. Is zoiets mogelijk? Sommige mensen menen van wel en spenderen hun tijd aan het ondersteunen van zulke initiatieven. Ze creëren banken die volgens hen in staat zijn om in het economische veld te functioneren met een sociaal geweten, een aantal criteria zoals solidariteit en het bevredigen fysieke, culturele, emotionele en spirituele behoeften. En dat allemaal in de plaats van het eenvoudige winstprincipe dat de commerciële banken drijft.

Ethische banken stellen winst niet voorop als hun doel. Ze dragen daarentegen een sociaal streven in zich om de marginalisering te voorkomen en samenwerking tussen geavanceerde kapitalistische landen en landen die niet zo beschouwd worden te bevorderen. Kort en bondig: ze willen harmonie creëren tussen ethiek, politiek en economie. Discussies over zulke initiatieven, die zichzelf als ‘zelfbeheerd’ zien, verdienen verdere bestuderingen. Hier zullen we ons echter beperken tot een aantal opmerkingen. Het is onmogelijk om een bepaalde sector af te scheiden van de economie en die sector anders te managen dan de rest. Niemand kan oprecht geloven dat het mogelijk is in de financiële wereld te stappen en zichzelf ondertussen strikt gescheiden te houden van het financiële systeem als geheel. Dat is onmogelijk vanaf het moment dat je over de drempel van de betekenis stapt: vanaf dat de bank en het alternatieve netwerk een referentiepunt wordt voor het aanbod van geld. De fascinatie voor de idee van alternatief krediet gaat terug tot aan de pogingen om Proudhon’s ideeën te realiseren. Proudhon’s ideeën over alternatief krediet waren echter niet ontwikkeld vanuit een ethisch standpunt, maar als een instrument in de strijd tegen de alomtegenwoordige macht van het kapitalisme. Zij die het ethische probleem van economisch management – niet alleen financiëel, maar de hele economie – hebben bestudeerd, waren economisten van de katholieke school zoals Toniolo en later Vito en Parillo. Die twee laatsten hebben het probleem zo uitgewerkt dat het aanvaardbaar werd voor het kapitaal. In feite heeft de Rooms-Katholieke kerk het probleem meer dan eens benaderd, met alle nodige voorzichtigheid.

Wij zijn ervan overtuigd dat er niet zoiets kan bestaan als een ‘ethisch’ management van geld, net zoals er geen enkele manier bestaat om zich tegen het kapitaal en de economie als geheel te verzetten zonder conflicterend te zijn. Eigenlijk volstaat het om de lijst van ‘ethische en politieke’ principes van de voortrekkers zelf te lezen om te begrijpen wat we bedoelen:
Mijn geld moet eenvoudigweg een instrument zijn, geen bron van winst.
Mijn geld mag geen wapenhandel financieren.
Mijn geld mag niet gemengd worden met ‘vluchtend’ kapitaal.
Mijn geld mag geen dictatoriale regimes ondersteunen.
Mijn geld mag niet speculeren op armoede.
Mijn geld mag geen activiteiten ondersteunen waar witgewast geld van illegale praktijken aan te pas komt.
Allemaal goed en wel, zolang ‘mijn geld’ maar ‘mijn’ blijft en zoals het me voldoende intrest opbrengt.

Geloven we echt dat we het kapitalisme kunnen vermenselijken en zelf kunnen beheren?
Ik absoluut niet.

[La banca etica, in ‘Canenero’, n°1, 28 oktober 1994.]

Werkloosheid in Italië

…of : waar blijft de explosie van het systeem?

We vragen onszelf vaak af waarom niemand iets doet in een situatie als die van vandaag. Waarom rebelleren de zovele werklozen niet? Hoe krijgt het economische en het Staatssysteem het voor elkaar om met alles zo moeiteloos om te gaan? We zullen proberen te antwoorden op een aantal van die vragen. Daaruit zal blijken hoe we ‘voorbij’ de economie in de strikte zin van het woord moeten gaan als we willen begrijpen hoe uitbuiting vandaag de dag werkt.

Werkloosheid in Italië vandaag
De beschikbare gegevens dateren van 1987 en kunnen samengevat worden als twee overheersende tendensen: meer jobs in de tertiare (diensten-)sector en een aanzienlijke daling van het aantal jobs in de industriële sector, vooral in de grote bedrijven.

We zullen kijken naar de veranderingen die zich hebben voorgedaan in de productie in de laatste jaren en de resultaten ervan niet alleen wat revolutionaire verwachtingen betreft, maar ook over de praktijken die moeten geïmplementeerd worden.

Men heeft berekend dat er in Italië nu meer dan 3.000.000 werklozen zijn. In de industriële sector in de periode 1977-1987 is het aantal arbeiders en arbeidsters gedaald met 900 000 waardoor de industrie de verloren winsten kon recupereren. In feite waren er na de daling tussen 1977-1980 winststijgingen in de grote bedrijven van 760 miljoen euro in 1980 tot 9 miljard euro in 1987.

In Italië, waar de grootste daling plaatsvond, is de productiviteit met bijna 21% gestegen sinds 1980, terwijl meer dan 16 % jobs verloren gingen.

Dit toont zonder twijfel aan dat werkloosheid in Italië vooral aan de groeiende incapaciteit van de productieve sector om werk aan te verschaffen te wijten valt. De grote industrie heeft een ingrijpende herstructurering ondergaan die heeft geresulteerd in een drastische reductie van het aantal benodigde arbeidskrachten. De ommekeer kwam er aan het begin van de jaren 80. Men realiseerde zich toen dat kortetermijnaanpassingen niet genoeg waren, en dat een massieve herstructurering nodig was – veel ingrijpender dan de oude en lastige bijdragen in vast kapitaal. Het klassenconflict stond toen op een laag pitje. De Staat had al de middelen die haar ter beschikking stonden aangewend om op de vragen van het kapitaal in te gaan, gaande van de nu collaborerende vakbonden (in het beste geval beperkt tot retrograde strijd) tot het ten tonele voeren van het ‘terrorisme’-fenomeen.

De productiecrisis in de jaren 80 leidde tot een onder-gebruik van de fabrieken die gevolgd werd door een herziening van de arbeidskosten: massa-afdankingen, vervroegde pensioenen, uitbestedingen en side-contracts. Het fenomeen was de omkering van de loonstijgingen en de reductie van de productiviteit in de jaren 70. De kapitalisten maakten duidelijk dat je pas kon tewerkgesteld worden na een beginperiode van werkloosheid.

Tot dan toe waren de kapitalisten omdat ze niet aan de extreem rigide arbeidskosten konden raken niet in staat om de kosten te veranderen in de sfeer van wat gekend is als het ‘technische probleem’. Nu, met de collaboratie van de vakbonden en de Communistische Partij, zijn de de arbeidskosten gedaald. Inflatie is dalende, productiviteit rijzend, strijdbaarheid van de arbeidsters is laag. De arbeidersklasse is aan haar desintegratie begonnen.

Manieren om een rem te zetten op de dingen
In een Staat die beweert ‘sociale’ connotaties te hebben, zorgen de krachten die in theorie de belangen van de arbeidsters zouden moeten verdedigen voor de belangen van het kapitaal. Het is gemeenplaats geworden om te zoeken naar alternatieve oplossingen voor hen die uitgesloten zijn van werk. De vakbonden hebben deze, laat het ons zo zeggen, institutionele taak op zich genomen. De Staat wil wanorde voorkomen, het kapitaal wil een val in de vraag vermijden. Maar ditmaal gaan de Staatsinvesteringen niet naar enorme fabriekscomplexen die fungeerden als aantrekkingspolen voor zij-activiteiten. Die periode is voorgoed voorbij. Staatsinvesteringen gaan nu naar de tertiare sector. Deze opkomende sector heeft meer mogelijkheden om de arbeidskrachten te absorberen. Ook hier vloeien de belangen samen: kapitaal heeft diensten nodig om de primaire sector te herstructureren, de Staat dient als regulator, en de vakbonden zien de oplossing als dichterbij hun institutionele taak. Het resultaat is een versterking van de grote industrieën, met lagere vaste kosten en grotere flexibiliteit, een verzwakking van de arbeidersklasse die een punt van desintegratie begint te bereiken dat een paar jaar geleden nog ondenkbaar was, en een transformatie van de rol van de Staat – die nu meer en meer een directe contractor wordt en zich niet langer beperkt tot het reguleren van spanningen.

De oplossing is het stimuleren van de vraag, op z’n minst op middellange termijn (uitbestedingen), het beperken van de inflatie door het niveau van de echte lonen te reduceren, en de versterking van de politieke rol van de Staat (sterker en duurzamer regeren). In Italië en verschillende andere Staten is dit complexe mechanisme al in gang gezet. Het USA-voorbeeld – model en externe variabele van ons economisch systeem – heeft als belangrijk referentiepunt gediend.

In de Verenigde Staten was er een aanzienlijke recessie in 1981 die meer dan twee jaar aanhield. De Staat slaagde erin de recessie te overwinnen door een model van politieke en economische interventie op te stellen. Het stopte de angst voor inflatie, waardoor er veel gemakkelijker krediet werd verschaft: investeerders van over de hele wereld stortten fondsen in Wall Street. Investeringen gingen bijna allemaal naar de tertiare sector, een specifiek kenmerk van de Amerikaanse markt, en zelfs in de productie van duurzame consumentenwaren. Zoals altijd moest de Derde Wereld de prijs betalen door hogere en hogere schulden op te stapelen om deze waren te kunnen kopen. Ze betaalden met magere exporten maar fungeerden ook als belangrijke investering voor de grote geldstroom die de Amerikaanse economie had doen opzwellen. De Amerikaanse economie stelde een brute politiek op met een ‘go and return’ effect in het voordeel van zowel de internationale stabiliteit van de Atlantische militaire kolos als van de roofeconomie tegenover de slachtoffers van het imperialisme. Om dezelfde redenen zal dit land naar alle waarschijnlijkheid de eerste zijn om voor de consequenties van dit ‘briljante’ manouevre te betalen.

Maar waar blijft de explosie dan?
Dat is een vraag die velen zich stellen. De recuperatie van de werkloosheid door de tertiare sector is geen afdoende verklaring. Ook de groei van de productiviteit, de controle van de inflatie of de ontwikkeling van flexibiliteit en precaire arbeid (zwartwerk) zijn geen afdoende verklaringen. Elk van hen is waarschijnlijk wel geldig, maar geen enkele kan het probleem uitleggen, noch kan de combinatie van deze analyses dat.

De vroege jaren 80 waren zonder twijfel een tijd van materiële moeilijkheden voor het hele economische systeem. De industriële sector was oververzadigd, de inflatie steeg, de angst voor de sociale consequenties van de reductie van de arbeidskosten zat er diep in, en de vakbonden stonden op de verdediging van jobs en echte lonen. Tijdens deze jaren werd er iets gedemonstreerd dat voor ons duidelijk zou worden aan het einde van 1977: de overgang van materiële moeilijkheden naar een ontwaken van het bewustzijn van arbeidsters als klasse had niet plaatsgevonden. Was dat nu een ‘crisis’? Het is onmogelijk daarop te antwoorden, als het al niet omwille van een andere reden is dan toch tenminste omdat we niet weten wat een crisis is. De arbeidsters hadden voorbij de economische strijd moeten gaan – althans volgens de marxistische analyse – en de sociale strijd moeten aanvangen. Dit moest gebeuren doorheen de partij en pas in de tweede plaats doorheen de vakbonden. Met andere woorden, uit de crisis moest revolutionaire subjectiviteit tevoorschijn komen.

Niets van dat alles is gebeurd. Niet alleen kwam er geen wil tot strijden voort uit het determinisme van de economische setup, maar was er, veel belangrijker, geen echt obstakel voor de ontwikkeling van het kapitalistisch herstel. Alles behalve de verdwijning van de illusie van de gelijke ruil zoals was aangekondigd door Marx. Ze veranderen simpelweg de kaarten in hun handen, juist op het moment dat de situatie dreigde veel serieuzer te worden. En het werd niet serieuzer, dankzij de betekenisvolle interventie van de informatietechnologie.
Vandaag kunnen de omstandigheden van de arbeidsmarkt samengevat worden als de gegroeide capaciteit van het kapitaal om het leger van werklozen te recupereren en te manoeuvreren. De capaciteit voor interventie in dit veld is verbazingwekkend, en bestaat uit initiatieven van een ‘alternatieve’ natuur die de gebruikelijke drie of vier dwazen doen dromen. De intelligentie van het kapitaal is uitzonderlijk: zoals Marx zou gezegd hebben, opwindend. Het neemt strijden over, gebruikt ze tegen hen die ze hebben gepromoot en tegen het grootste deel van de arbeidersklasse. Het zoekt de meest geïsoleerde aanstooksters uit, transformeert hen in ‘criminelen’ en gebruikt hen om de rest terug in de lijn te laten marcheren. Dan wordt een nieuw concept van kwaliteit gebruikt om een façade op te werpen. De politiek is geconsolideerd, zoals immoreel gedrag teruggedrongen wordt tot een meer stabiele vorm, de bladzijde van een aantal marginale aspecten wordt omgeslagen. Het is niet mogelijk om te spreken over het ‘falen’ van de partij of de vakbonden in hun functie of taak. Naar onze mening is het een kwestie van een historische functie die haar natuurlijke conclusie bereikt. Het einde van een tijdperk. Het einde van een grote illusie. Het bedrijvigheid van het kapitaal is enorm, het doordringt de school, de familie, de kerk en al de rest. Het laat geen enkele ruimte ongevuld en slaagt alle initiatieven in termen van strijd terug. Haar repressieve systeem verwelkomt afgrijselijke praktijken zoals spijtoptanten om tot de bodem van haar contradicties die, hoewel marginaal, toch nog enige instabiliteit kunnen creëeren, te geraken. Om tegenspraak van de meest radicale en minst instrumentaliseerbare elementen te doen verstommen, neemt ze haar toevlucht tot pure en simpele repressie – de repressie van speciale gevangenissen en politiekogels. Het is voor eens en voor altijd gedemonstreerd dat het niet waar is dat revolte gemakkelijker is in tijden van materiële moeilijkheden voor het hele economische en sociale systeem. En dit was een van de canons van het marxisme.
Het is een feit dat de Staat en het kapitaal veel efficiënter zijn dan men denkt en veel meer verbonden zijn dan Marx zich in zijn tijd had kunnen verbeelden. We mogen de rol van de Staat in deze recuperatie niet onderschatten. Als het aan zichzelf was overgelaten, had het economische mechanisme waarschijnlijk al lang geprobeerd hebben om de fabrieken te ondermijnen, maar de collaboratie tussen Staat en economie heeft in plaats daarvan een ongelooflijk programma van herstructurering mogelijk gemaakt.

Vandaag worden we geconfronteerd met een situatie die we kunnen definiëren als corporatief. Er bestaat geen echte politieke oppositie, tenzij als formaliteit, en dus kan de regering harde beslissingen doordrukken die in het voordeel van de economie werken. Dat is waarom het systeem niet explodeert, dat is waarom we zo’n hoge werkloosheidsgraad bijna met gelatenheid kunnen tolereren, en waarom we een flucturerend percentage van tijdelijk of ontstabiel werk als normaal beschouwen.

Klassedesintegratie wordt de integratie van het individu, de transformatie van persoonlijke relaties, een gewelddadige transformatie van het leven – voor iedereen. Er is niet langer één enkel referentiepunt in de strijd. De ineenstorting van de oude myten begint te leiden naar een aanvaarding van het leven als een continue ineenstorting. En tegen een situatie waarvan we geleerd hebben ze als normaal te beschouwen, kunnen we niet rebelleren.

[La disoccupazione in Italia. Perché non salta tutto, in ‘Anarchismo', n°63, 1989.]

Laatste deel van Vernietig het werk

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License