Vervolg van vernietig het werk

Onvrijwillige aspecten van vrijwilligerswerk

In een klimaat zoals datgene dat nu triomfeert, met haar algemene teleurstelling en herstel van de absolute waarden van competitie en kapitalistische efficiëntie, toont de betoging van de vrijwilligers die recentelijk in Rome plaatsvond dat er tenminste nog mensen zijn die de waarden van solidariteit en gelijkheid voorstaan. Het is precies dit aspect, utopisch in de betere betekenis van het woord, dat veel jonge mensen aantrekt. Hun engagement zorgt ervoor dat ze zich beter voelen omwille van de ‘alternatieve’ projectmatigheid van dat engagement. Aan de andere kant maakt het hen ongewild tot medeplichtigen van een globaal machtsproject dat hen nodig heeft om zichzelf te voltooien.

Dit moeten we even uitleggen.

Woongroepen, coöperatieven, kleine winkeltjes, alternatieve groepen die zich toeleggen op de sectoren van solidariteit en sociale samenwerking, vormen de belangrijkste elementen waarmee het economische en politieke systeem de striemen van de zweep van sociale onrechtvaardigheid verzacht. En dat precies in die lagen van de bevolking waar het acuut is en waar ontploffingsgevaar is.

Deze sector heeft de vloed van een hele generatie revolutionairen, die na het verlies van vader partij en moeder ideologie, geen ideeën en leiders meer hebben. Vrijwilligerswerk heeft hen geholpen om terug met beide voeten op de grond te staan. Het heeft hen verhinderd verder dan hun eigen neus te kijken en op te schuiven in de richting van een nieuwe praktijk van sociale transformatie die dit keer werkelijk revolutionair zou zijn. En terwijl meer en meer gewelddadige en niet-recupereerbare tegenstellingen ontploffen, fungeert deze sector als een veiligheidssluis. Soms grijpt deze sector zelf direct in om de meest extreme situaties te managen, waarbij dezelfde repressieve methodes als de staat gebruikt worden.
Het bewijs van de institutionele functie ligt in het feit dat de vrijwilligers zich aanmelden voor fondsen via het legale raamwerk van feitelijke verenigingen: utopiërs, ja, maar niet dom.
Vrijwilligerswerk verschaft een heel belangrijk product: het gevoel iets nuttigs te doen. Voor iedereen die zich slecht voelt omwille van de schaamteloze onrechtvaardigheid die regeert over een wereld waar de helft van de bevolking sterft van de honger, laat het kopen van originele producten in ‘alternatieve’ winkels aan een ‘eerlijke’ prijs toe het geweten te sussen.
Juist in deze sector wordt de ongunstige oplossing van het eruit stappen aangeprezen. Jezelf vrijspreken van elke destructieve betrokkenheid door er één sector uit te pikken die verondersteld wordt vrij te zijn van de kapitalistische smet. Je bedriegt jezelf echter als je gelooft dat je door je geld in ‘ethische banken’ te investeren niet speculeert op de levens van miljoenen mensen. Je bedriegt jezelf als je gelooft dat je de globale kapitalistische productie boycot door in ‘alternatieve’ winkels en kanalen die zogezegd vrij zijn van enige betrokkenheid in massamoord, te kopen.
Voor iedereen die ook maar de minste notie heeft van hoe de economie als geheel werkt, is het duidelijk dat het kopen van producten aan hogere en dus niet-concurrentiële prijzen in de zogenaamde Derde Wereld op geen enkele manier de verkoop van dezelfde producten aan de multinationals verhindert. Integendeel zelfs, het bevoordeelt hen omdat de producenten, die een kleine stijging van hun winstmarges bekomen (die nog steeds minimaal is als je het aantal alternatieve bestellingen bekijkt), met de multinationals kunnen onderhandelen en betere prijzen kunnen krijgen. En dat maakt voor de enorme winstmarges van de multinationals maar weinig uit: de stijgingen van de prijzen van de producten zijn minimaal. Aan de andere kant kan het beleid van hogere inkomsten van zowel de alternatieve kopers als de multinationals niets anders dan een lokale klasse opleveren die beter af zijn en die uiteindelijk en onvermijdelijk de levensomstandigheden zullen verbeteren – niet voor iedereen in het gebied, maar voor een beperkt aantal nouveaux riches.

De bovenstaande conclusies zijn niet gedicteerd door de ‘hoe slechter hoe beter’-logica, maar door twee veronderstellingen: ten eerste dat het onmogelijk is om van solidariteit en gelijkheid te spreken binnen het kapitalistisch systeem, en ten tweede, dat de Derde Wereld niet wordt geholpen door een stijging van haar winsten. De eerste veronderstelling is gebaseerd op het feit dat het kapitalistische systeem een gesloten systeem met één logica is dat zich uitstrekt over de hele wereld. Elke schijn van een ander systeem binnenin is niet meer dan een middel om afzonderlijke fases van instabiliteit te integreren en te recupereren. De tweede veronderstelling is gebaseerd op het feit dat een land met een erg laag inkomen per inwoner dit niet verhoogt door een simpele stijging van export (tenzij dan vanuit statistisch oogpunt). Er zal altijd een geprivilegieerde klasse zijn die de economische en politieke macht managet en meer verdient en wint terwijl ze de rest van de bevolking in dezelfde bedroefde situatie van armoede laat als tevoren.
Omwille van deze redenen, en andere waarvoor we later nog de gelegenheid zullen hebben, is vrijwilligerswerk vandaag een van de belangrijkste afzetgebieden voor de berusting in de plaag van sociale onrechtvaardigheid die door het kapitaal op globaal niveau wordt veroorzaakt.

[Aspetti involontari del volontariato, in ‘Canenero’, n°2, 4 november 1994.]

De nieuwe democratie

Ruïnes overdenken is een activiteit die perfect past bij intellectuelen. Achteroverliggend in wat overblijft van Catalus’ tekenkamer staren ze in het rond en vragen zich af wat er nu toch is misgegaan. Eerst en vooral moeten we de idee van ‘crises’ verduidelijken. Ik ben nu al een paar jaar alle interessante implicaties van dit concept aan het bestuderen. In feite bestaan crises niet. En ze hebben ook nooit bestaan. Nu en dan worden periodes van verandering ‘crises’ genoemd om bepaalde politieke strategiën een zetje te geven of hun tekortkomingen te vergoeilijken. Het concept van crises impliceert het bestaan van een lineair proces dat plotseling een terugslag te incasseren heeft alsof externe of intrinsieke krachten plotseling ophouden te functioneren.

Dat verklaart de grote wetenschap die zulke momenten voorspelt. Op bepaalde momenten wordt die wetenschap vervangen door devote verwachting of door de meer of minder bloedige pogingen van de mol die blijft doorgraven. Jammer genoeg werken deze vriendelijke kleine wezentjes niet voor ons. Een lineair proces bestaat alleen maar in de dromen van de economisten en revolutionaires die hun macht willen bewijzen, of de macht die ze in de toekomst willen hebben. Het zou echter wel eens kunnen dat alles eenvoudigweg rondscharrelt in een jungle van relaties. Met een onlogische situatie tot gevolg die in schril contrast staat met een logica waaraan elke orde en vooruitgang ontbreekt. In zo’n diverse en contradictoire context ontdekken we wreedheden en barbariteiten waarvan men dacht dat ze eeuwen geleden al verdwenen waren. Wreedheden en barbariteiten die groeien en bloeien naast technologische ontdekkingen van een toekomst die al heden is. Zoals het belachelijk is te praten over vooruitgang, is het eveneens idioot om de idee van crises -het product van zulk concept – te omarmen.

Het is ook verbazingwekkend dat allen die ons jarenlang hebben bedreigd en doofgemaakt met hun argumentaties over de relatie tussen onderbouw en bovenbouw zich nu hullen in een laf zwijgen. Veel van hen, en ik bedoel niet hen die deze ommekeer van 180° stilletjes hebben gemaakt, staan nu tegenover dezelfde problemen als de politiek en de macht de laatste jaren staan. Zonder de intellectuele operatie dan (bij wijze van spreken natuurlijk): de productieve condities van dit politieke systeem zijn nu ver voorbij de oubollige dialectiek die niet zomaar kan opzijgeschoven worden omdat deze analysemethode in diskrediet is gebracht. De dialectische analysemethode belandde samen met de kerkers van het Kremlin in een vacuüm.

Het zou een verdere mystificatie zijn om te vragen wat het zichtbare, maar niet altijd begrijpbare, herstructureringsproces van het huidige politieke systeem betekent zonder het te linken aan de herstructurering van de productie. Dat zou het equivalent zijn van te zeggen dat alle kwaad in het egoïstische management van een aantal afzetters schuilt en dat wanneer zij van het toneel worden gejaagd alles terug normaal zou worden. We moeten hier twee gedachtegangen uitwerken. Een eerste gedachtegang om de belangen van de machtsgroepen die vandaag in landen zoals Italië hun verwijten aan het adres van de heersende politieke klasse intensifiëren, beter te begrijpen. Die verwijten dienen immers om de aandacht af te leiden van de mechanismen die effectieve verbetering in het politiek management mogelijk maken.

Een tweede gedachtegang om te tonen hoe de post-industriële politiek werkt doorheen de vraag naar fictieve participatie van individuen in het management van de publieke uitgaven. In feite is de herstructurering van het politieke systeem verbonden met de groeiende vraag van de nieuwe economische en sociale formaties in de landen waar het kapitalisme het meest geavanceerd is. Dit gaat gepaard met een transformatie van de democratie aangezien het de participatie van individuen in de fictieve mechanismen die de ideeën in elk van ons kunnen verorberen en dus tot nul kunnen herleiden nodig heeft.

Op zij die leven in de koppige achtergestelde gebieden die nog gebonden zijn aan de betekenisloze vormen van vakbonden en partij-economisme na, ervaren de grote massa’s die uitgesloten zijn van elke effectieve participatie in de beslissingsprocessen vandaag een nieuwe soort democratische participatie. Dit is niet toevallig. De vraag ernaar bestaat nu al bijna twee decennia, geïnjecteerd door de media via het complexe controlesysteem van TV’s, telefoons en computers. We zitten nog maar in de beginfase, maar er is nu al een directe en constante dialoog bezig tussen de periferie en de communicatiecentra. Mensen bellen elkaar, interageren met de TV, coderen zichzelf en flansen het protocol voor een verdere en meer en meer gedetailleerde manier van leven in elkaar. Dit laat aan de ene kant een grotere controle over de massa uitgeslotenen toe – tenminste van de reguliere meerderheid, om het zo te zeggen.

Aan de andere kant laat het toe dat meningen gecatalogiseerd en zelfs gestuurd worden waarbij ze betrokken worden in vele interactieve syntheses. Zoals we allemaal weten leidt dit naar een uitbreiding van culturele armoede in termen van smaak en keuzes, een uniformiteit van behoeften en verlangens wat een nog grotere mogelijkheid biedt om schijnbare vrije en spontane participatie te catalogiseren. Zo wordt aan elke mogelijke diversiteit ontkomen. Vandaag is het de codificatie die de mens maakt: je kleding, je gebruikt dezelfde objecten, kijkt uit naar dezelfde labels en merken,… Je kwalificieert jezelf door deze uniformiteit. Alles hetzelfde: gebaren, bewegen, eten, liefhebben, denken, dromen,… Op deze manier wordt de democratie van de toekomst gebouwd. Binnenkort zal politiek geboren worden in en tussen de mensen, maar niet voordat iedereen gereduceerd is tot de kleinste gemene deler om zo de flexibiliteit voort te brengen die noodzakelijk is voor de post-industriële productie.

De oude (in de echte zin van het woord) industriële wereld is samen met het politieke systeem gebaseerd op associationisme, zowel partijen en bewegingen als vakbonden. Zij hielden allemaal verband met de massieve dimensie van de fabriek en de idee van zogenaamde (soms zelfs echte) verbeteringen van de arbeidsomstandigheden. Het feit dat sommige van die structuren nog steeds blijven voortbestaan ondanks de verdwijning van de historische context die ze produceerde, is eenvoudigweg te wijten aan de klassieke viscositeit van alle sociale structuren die niet bereid zijn zomaar te verdwijnen omdat nieuwe sociale omstandigheden hen oubollig en onbruikbaar hebben gemaakt. Die hardnekkigheid heeft deze structuren zelfs nog meer rigide gemaakt: hun enige doelstelling is nu zichzelf te verrijken om te kunnen blijven bestaan, en vice versa. En deze functie staat in contrast met de nieuwe omstandigheden in de productie en de noodzaak om meer gevarieerde vormen van uitbuiting te ontwikkelen. Terwijl de post-industriële herstructurering de oude economische en productieve formaties onbruikbaar en oubollig maakt, zijn de oude structuren meer dan ooit geneigd afpersing en corruptie te omarmen. De dienst die de normale politieke druk hun levert is immers minder en minder geschikt voor hun belangen en doelen.
Dit gebeurt niet enkel in Italië, maar in bijna alle geavanceerde kapitalistische landen. In Spanje creëerden de oude vakbonden van het democratische centrum (die Franco opvolgden) de voorwaarden, daarna ontwikkelden de dingen zich verder in een decennium van socialistische heerschappij. Alle partijen van Spanje hadden hun toevlucht genomen tot illegale vormen van partijfinanciering. Het best gekende geval is dat van Guerra: een broer van de Spaanse vice-president bekwam van zakenlui voordeeltjes voor de PSOE. Hetzelfde gebeurde binnen de Partido Popular (in de oppositie) waar het geval Baseiro de grootste schandalen veroorzaakte door procentjes van illegale activiteiten op te strijken. De autonome regereringen van Catalonië en Baskenland hebben zo ook hun schandalen gekend. Het belangrijkste geval was de zaak Filesa waar weerom de PSOE bij betrokken was, omwille van illegale financiering die was verkregen via exorbitante terugbetalingen van grotendeels onbestaande diensten, rapporten en studies.

In Duitsland behoren gevallen van corrupte politici, procentjes en illegale trafiek met de georganiseerde misdaad tot de orde van de dag. De grootste schandalen waren die van Siemens (Monaco) en Flick (Frankfurt). Er is een proces bezig over een aanzienlijke belastingsverlaging (die wel eens meer dan 1.5 miljoen euro zou kunnen bedragen) die aan Flick zou zijn toegezegd en naar de partijfondsen zou zijn doorgesluisd. Hetzelfde gebeurt in Hamburg en Bremen, en zelfs in Berlijn waar de ooit ‘in het rood’ staande Filz nu terug ‘in het zwart staat’, maar waar de dingen nooit veranderd zijn. De corruptie kent geen grenzen.

Frankrijk heeft zo ook haar schandalen van politieke corruptie gekend. Van de zaak Luchaire waar percentjes op wapenverkoop aan Irak aan het licht werden gebracht, over de zaak Urba rond illegale financiering van de Parti Socialiste, tot aan de zaak Bérégovy die 150 000 euro heeft aangenomen van een niet zo onberispelijke financier. Een tijdelijke amnestie blokeert nu het boven water komen van nieuwe schandalen waardoor juridische procedures zinloos zijn gemaakt.

De lijst zou kunnen uitgebreid worden met voorbeelden uit Groot-Britannië, de Verenigde Staten van Amerika, Polen en nog vele andere landen die nog niet zo’n hoog niveau van post-industreel kapitalisme hebben bereikt. Dezelfde situatie speelt zich af: een poltiek systeem dat niet meer geschikt is voor de economische transformatie die aan de gang is, wordt al snel een gangstersysteem van afzetterij en omkoping.

Maar laat ons het probleem vanuit een andere hoek benaderen.

Niet toevallig hebben een aantal idiote ‘intellectuelen van het moment’ gezeverd over ‘revolutie’. Zonder het te weten of te willen, en omwille van redenen die heel wat anders zijn dan degenen die ik zal beschrijven hebben ze in feite toch iets bij het juiste eind. Op dit moment is er een echte revolutie aan de gang, natuurlijk verschillend van de revolutie waar wij van dromen (en die absoluut niet politiek is). Het is niet mogelijk om via de codificatie die we in het verleden gebruikten voor zulke gebeurtenissen de huidige revolutie te traceren. Waarom denken we dat het mogelijk is om te praten over een ‘revolutie’, al is het alleen maar in politieke termen? Daar zijn twee redenen voor. De eerste reden is dat het politiek systeem, waarbinnen het kapitalisme een diepgaande en snelle herstructurering heeft ondergaan, is ontploft. Het bleek onbekwaam om de belangen van de nieuwe managersklasse te vertegenwoordigen. De tweede reden is dat een krachtige beweging in gang is gezet. En hoewel die beweging is gecodificeerd in termen van controle- en participatieprocessen die we hierboven hebben bediscussieerd, toont ze toch ook, onder de grijze mantel van de uniformiteit, het bestaan van een uitdeinend gevoel van wrevel, een verlangen naar bevrijding, een atavistische afkeer van allen die leiden en domineren. Bij de eerste reden kunnen we ons het proces dat geleid heeft tot de Franse Revolutie herinneren. De Franse Revolutie vond plaats precies omwille van het feit dat de koning en de adel door de ontwikkeling van de handel en de industrie tegen te werken niet langer de belangen van de bourgeoisie garandeerden. Maar, zoals duidelijk is voor gebeurtenissen die even veraf zijn in de tijd als van onze capaciteit om ze te begrijpen, een dominante structuur geeft zich niet zomaar over omdat het niet langer nuttig is voor het systeem dat het produceerde en ooit beschermde en stimuleerde.

Wat de tweede reden betreft denk ik dat er iets meer nodig is. Wat gebeurt er onderhuids met al die pogingen om tegenspraak af te weren en tot nul te herleiden? Dit fenomeen houdt een schat aan informatie en lering in zich, zowel voor revolutionaires als voor de politici wiens doeleinden diametraal tegenover die van ons staan. Eerst en vooral is het echt verrassend om te zien hoe een schijnbaar formidabele politieke structuur als de Christen-Democratische Partij in een paar maanden ineengeschrompeld is. Dit evenaart de even onverwachte en rare ineenstorting van de politieke structuur van de Sovjetunie. Deze twee gebeurtenissen staan uiteraard niet los van elkaar: ze houden beiden verband met de noden van de rauwe economische herstructurering die op wereldniveau plaatsvindt. Het is duidelijk dat niets, hoe stevig de wortels ook zijn, nog langer kan weerstaan aan de onvoorspelbare ontwikkelingen van gebeurtenissen. En deze onzekerheid heeft z’n intrede gedaan in de bloedstroom van ons allemaal. Het is een positief element geworden dat de herstructurering heeft geprobeerd te realiseren door te leuren met de idee dat niets kan gegarandeerd worden tenzij men het overeengekomen is op basis van gemeenschappelijke belangen -uiteraard gemanaget door de heersende klasse – met de fictieve participatie van iedereen. Het feit blijft dat onzekerheid een deel van ons allemaal is geworden. Het doet mensen zich ongemakkelijk voelen, schudt hen wakker, geeft aanleiding voor de meest wanhopige avonturen, maakt het moeilijker mensen nog langer te controleren of maakt op z’n minst deze controle even onzeker als al de rest van de realiteit. Voor zover het revolutionaires aanbelangd, is dit een postief element dat niet zeker niet onbelangrijk is. De haat is opgekomen. Haat die gemakkelijk kan gekanaliseerd worden naar een reformistische, maar toch nog belangrijke, dimensie (vragen naar veranderingen van de sociale regels), ook al heeft het een aanzienlijke capaciteit voor ‘beweging’ getoond die de oude kwalen van leiderschap en delegatie (bv. de goede rechters die de revolte van de nederigen leiden) heeft doen verrijzen.

Maar we zullen dit probleem ergens anders moeten onderzoeken. Het is onmisbaar bewust te zijn van de omstandigheden die de realiteit waarin we handelen beïnvloeden. Zeker nu ze zo verschillen van de klassieke formules die de dingen uitlegden in deterministische termen.

Een belangrijk probleem van de huidige herstructurering van de macht is ervoor te zorgen dat het politieke management zich aanpast aan het globale proces van transformatie van de productie. Het is nu voor iedereen duidelijk dat het post-industriële kapitalisme een globale dimensie heeft aangenomen: het verdeelt zichzelf naar gelang de lokale situaties maar refereert aan een gezamenlijk management. De telematische structuur van de economische en productieve setup laat toe dat elementen die ooit ongeneesbaar afgescheiden waren nu gelinkt worden in tijd en ruimte. Het is een instrument geworden dat poogt de discrepanties in de vraag naar werk op globaal niveau te rationaliseren. Dit oefent een grote druk uit – die zal blijven groeien – op de economische omstandigheden van de geavanceerde kapitalistische staten. De oude dichotomie ontwikkeld/onderontwikkeld is geëxplodeerd of zal binnenkort exploderen. De overgangsfase was midden jaren 80 gekenmerkt door een uitdeinend patroon zoals stippen op een luipaardenvacht, zowel in de ontwikkelde als in de onderontwikkelde landen. Oost-Europa’s intrede op het schaakbord van het post-industriële kapitalisme heeft dit stippenpatroon vermenigvuldigd. Deze ontwikkeling voorkomt een uiteindelijke differentiatie en brengt aanzienlijke complicaties voor de macht met zich mee. Die complicaties hebben te maken met de controle over en recuperatie van de gebieden met een hoog risico voor subversie – in de eerste plaats de grote metropolen die stilaan tijdbommen aan het worden zijn. En niemand heeft de sleutel om ze te deactiveren.

Op dit punt worden alle trotse argumenten over in hoeverre er een echt verschil is tussen ‘links’ en ‘rechts’ gewoonweg belachelijk. Het bewijs dat dit probleem niet langer verband houdt met de herstructureringsmechanismen ligt in het feit dat een echt ‘rechts’ niet langer bestaat, op z’n minst op institutioneel niveau. De xenofobe en uitvoerende aspiraties van de dominante klasse, natuurlijk ontdaan van alle folkflore die ooit kenmerkend was voor uitlatingen van politieke reactie, kunnen door elke politieke formatie gemanaget worden. In feite staan nazi-skinheads daar vandaag de dag niet zozeer buiten omwille van hun tekort aan hersenen dan wel omwille van hun adoptie van een gedateerde folkflore die de reflectie is van de dromen van een aantal gekken. Ze kunnen niet rekenen op de consensus van grote aantallen mensen – die daarom nog niet niet-racistisch zijn, ze willen alleen dat hun verdediging tegen het ‘andere’ op een anonieme manier gebeurt via gegarandeerde jobs, niet in discriminerende uitlatingen als ‘zwarte mensen stinken’.
De demontering van de maatschappij, het meest evidente aspect van de relatie tusen het individu (nu praktisch overgeleverd aan de genade van transformatorcircuits) en de centra van communicatie, is een gevolg van de transformatie van de productie die nu aan de gang is. Overwelmd op de werkplaats die, tenminste tot aan het begin van de jaren 80 aanleiding kon geven tot het verwerven van individueel, en daarom klassebewustzijn, is het individu nu vroegtijdig in een snel veranderende wereld geworpen. Wat ooit ver weg was komt nu dichter en dichter dankzij TV’s, telefoons en geïntegreerde computertechnologie. En net zo snel verwijdert dat wat ooit vlakbij was zich: associationisme, de compactheid van de traditionele werkplaats, vakbonden en de fabriek zijn aan het verdwijnen. De collega op het werk is, zoniet een vijand, dan toch op z’n minst een vreemde geworden.

De afbraak van de associatie was een onmisbare premisse voor de arbeidsflexibiliteit, en dit kon alleen maar bereikt worden door de tirannie van absolute tijd en ruimte af te schaffen. De vervanging van briefschrijven door telefoon en de komst van de real time van informatietechnologiesystemen hebben bewerkstelligd dat ook de individuen zelf veranderden. Hun geheugens zijn gedegenereerd, hun menselijk bewustzijn is verdeeld in sectoren. Eerst was dit rigide, dan werd het minder en minder consistent tot op het punt van het mixen en produceren van een nieuwe agglomeratie van sensaties en waardeoordelen die voor altijd worden gemodificeerd, aan een hogere en hogere snelheid. De waarden van het verleden, de bewaarde kennis opgeslagen in geheugendatabases waar het jaren kan liggen maar nog steeds een directe toevoeging geven wanneer dat noodzakelijk is in termen van zowel theoretische als praktische kennis van arbeidsprocessen, zijn verdwenen.

Alles wat de arbeidsters in de mogelijkheid stelde om een betere wereld op te bouwen op en vanop de ruïnes van de oude wereld is nu verdwenen. Het werd allemaal de grond ingeboord in de grote race van versnelde procedures, de eliminatie van subject en object als twee gescheiden polen van een contradictoir mechanisme dat nochtans rijk was aan perspectieven en vitaliteit. In plaats van dit mechanisme zitten we nu in de dominantie van de overgang. De simpele beweging van iets dat de ontvanger en de zender op hetzelfde moment bereikt, in real time. Het verenigt zender en ontvanger in de groeiende capaciteit om te antwoorden in simpele, snelle en gecodeerde communicatie-impulsen.

Alles lijkt dus teruggebracht te zijn tot dit concept van absolute flexibiliteit. De geheel van de productie is flexibel geworden, zelfs de meest traditionele gefixeerde constructies met hun gevangenisarchitectuur. De assemblagebanden worden geregeerd door robots. Op hun beurt worden de robots geregeerd door flexibele programma’s die met al hun vaardigheid de commando’s veranderen – en dus ook de producten die van de band rollen. Wat ooit miljoenen aan investeringen van vast kapitaal kostte, gebeurt nu in real time. De arbeidster heeft zich aan deze flexibiliteit moeten aanpassen. De kwaliteit die vandaag van de operator gevraagd wordt is niet professionele vaardigheid, maar aanpassingsvermogen om aan verschillende situaties het hoofd te bieden. Situaties die gecodeerd zijn met een bepaald aantal alternatieven waarvoor ze de beste oplossingen moeten vinden op een zo kort mogelijke tijd.

De nood aan flexibiliteit heeft de traditionele landbouw- en industriesectoren op de tweede rang geplaatst. Ze zijn ondergeschikt aan de tertiare sector die de mechanismen en logica om hen te herstructureren produceert en dirigeert. In de tertiare sector is flexibiliteit uiteraard van centraal belang. Hoe gek het ook mag lijken, toch zijn er daar geen specialisten. Iedereen is gespecialiseerd in een paar routineprocedures. Dezelfde hallucinogene wereld waar de programma’s die ontwikkeld zijn voor toekomstige robots worden toevertrouwd aan telematica, is aanzienlijk gereduceerd: minder en minder gesofisticeerde programma’s zijn in staat om andere te produceren en zo verder tot in eeuwigheid. Bewijs van deze veralgemeende idiotie vind je in het onwennig gevoel dat mathematici hebben wanneer ze de wereld van computerprogrammering binnentreden.

De condities van de productie die we hebben gedefinieerd als post-industrieel verspreiden zich zoals de stippen op een luipaardenvacht – binnen en voorbij de industrieel geavanceerde landen. Geen enkel gebied kan zichzelf voor zulke veranderingsprocessen veilig wanen. We moeten daarom vermijden in de val te trappen die alleen maar nuttig is voor het management van de nieuwe democratische macht. De val is deze analyses niet van toepassing te achten op bepaalde meer ‘achtergestelde’ gebieden van de kapitalistische ontwikkeling. Dit zou leiden tot een geloof dat sommige oude relaties en nieuwe mogelijkheden voor strijd nog bestaan. Maar er zijn geen geïsoleerde condities, alleen modellen van kleinere of grotere intensiteit waar het ‘flexibel’ management minder uitgesproken is dan bij anderen.

De herstructurering kan zich niet tevreden stellen met een simpele aflossing van zij die aan de macht zijn of met het mogelijk maken van meer geregelde aflossingen in de politieke klasse. Er waren diepgaande veranderingen nodig. En hier stoten we op een probleem binnen een probleem. Is het mogelijk om een exacte wil, een exact moment waarop beslissingen in die richting werden en worden gemaakt aan te duiden? Ik denk het niet. Ik geloof niet dat er een specifieke minderheid aan de macht is die zulke veranderingen kan programmeren. Meer dan alles is het een kwestie van processen die zich, vaak onvermijdelijk, verbinden en elkaar versterken. Toen de allereerste veranderingen plaatsvonden in het veld van de productie, was het enige wat er gebeurde de toepassing van bepaalde cybernetische systemen in de industrie. Dat gebeurde op dezelfde manier als elke andere technologie die werd toegepast op de productie. Maar het volledige potentieel van deze technologie werd nog niet begrepen. Bij een meer nauwkeurige inspectie blijkt deze ongekende kwantiteit alle technologie te omvatten, in het bijzonder de relaties die zich ontwikkelen tussen enkelvoudige technische toepassingen en het technische geheel, waar niets autonoom is ten opzichte van de rest. Niemand zou ooit de consequenties die zulke toepassingen hebben voor de arbeidsmarkt hebben kunnen voorzien, net zomin als de herstructurering die plaatsgreep aan het begin van de jaren 80. Deze herstructurering drukte de arbeidskosten, maar pas na veel aarzeling werden programma’s van vervroegde pensioenen en massale afdankingen opgezet. Ze vreesden werkelijk voor een antwoord in termen van sociale strijd, ondanks de stelling van Tarantelli/Modigliani dat zo’n antwoord er niet zou komen in de aanwezigheid van een sterke regering. Toch zou het kapitaal niet zo heftig hebben kunnen heropleven mochten de onvoorziene effecten van het implementeren van de nieuwe technologiën in de oude productiesystemen er niet geweest zijn. Om kort te zijn, series van oorzaken en gevolgen die niet gelinkt konden worden maar die de condities hebben voortgebracht die we vandaag kunnen vatten onder de noemer flexibiliteit.

Het is dus niet mogelijk om te spreken van een project dat tot in de kleinste details werd gepland en uitgestippeld. De omschakelingen van de macht zijn altijd benaderd en proberen zich te ontwikkelen langs de weg van de minste weerstand. Meer nog, zulke ontwikkelingen kunnen alleen maar groeien tot het punt waar de elementen waaruit ze bestaan hun volledige potentieel bereiken. Vandaag moet de huidige desintegratie waarop de nieuwe machtsstructuren worden gebouwd in elke aspect de volle consequentie bereiken. Macht kan zich niet volledig materieel uitbreiden als het een associatieve mentaliteit en cultuur intact laat. Net zoals het niet verder kan met een democratisch mechanisme dat gebaseerd is op voorbije processen en waarden. Nieuwe politieke vormen zijn nodig om te beantwoorden aan de nieuwe productieve en sociale vormen.

Het project voor een nieuwe soort democratie is dus werkelijkheid aan het worden, en dat is het laatste punt van dit artikel. Zoals alle projecten van de macht is ook dit een vaag project. Maar het baseert zich op de noden die al bestaan, die duidelijk zichtbaar zijn en kunnen opgesomd worden in een aantal punten.

Het belangrijkste punt is participatie. De arrogantie van de oude politieke burcht is niet geschikt voor de veranderde omstandigheden. De burger moet participeren. Niet om het politieke leven (dat altijd een spook in een artificiële wereld zal zijn) tastbaar en echt te laten worden, maar om de beslissingsmechanismen van de macht meer effectief te maken.

Het onmiddellijke gevolg van de democratische participatie is de geboorte van de actieve burger die haar oude desinteresse en apathie tegenover de politiek, waar mensen die ze als superieur beschouwde begraven waren in de corridors van de macht en de levens van hun subjecten manipuleerden, heeft opgeborgen. De politieke sfeer is opengebroken, er zijn talloze interventiemogelijkheden voor in de plaats gekomen. Vrijwilligerswerk is geïnstitutionaliseerd. Het monopolie van de professionele politici heeft plaatsgemaakt voor vrij politiek initiatief waar vertegenwoordiging binnen strikte geloofwaardigheidslimieten blijft met zelfs bepaalde omschreven gebieden die gecontroleerd worden vanuit de basis. Politiek begint thuis. Het pamflet dat ooit een exclusief instrument was in handen van een bewuste minderheid wordt nu algemeen gebruikt als een instrument om meningen kenbaar te maken. Op deze manier verkeert iedereen in de waan dat ze de wijze waarop publieke uitgaven worden gerund heruitvinden, door binnen en naast de instituties te leven – eerder dan zich te onderwerpen aan beslissingen die ergens anders werden gemaakt. De democratie breidt zich uit en wordt gerationaliseerd. Ze presenteert zichzelf als gelijk voor iedereen in de praktijk, niet alleen in theorie. Het meerderheidssysteem slaat niet langer terug in de gezichten van zij die het gebruiken, en een veelheid van interventies maakt kennis van beslissingen mogelijk.

Dit nieuwe pakket illusies trad bijna spontaan naar voren vanaf dat de oude mechanismen van politieke groepen waar gedelegeerden, charismatische partijleiders en centrale commissies met hun dominante ideologieën en doelen van bevrijding die opoffering en dood oplegden, allemaal werden ontmanteld. Al dit is nu verdwenen. Wat overblijft is een flexibele en objectieve desintegratie die duidelijk is voor iederen die het wilt zien en die voortkomt uit een proces dat ondubbelzinnig verdergaat: de productie. Er zijn dus vele wegen om te participeren. De nood aan sociale rechtvaardigheid, een van de fundamentele doelen van een beweging die op de oude rottende politieke wereld antwoordde met totale afwijzing, heeft zichzelf onmiddellijk getransfereerd, en het kon ook moeilijk anders, naar het domein van de participatie. Dit is goed begrepen door de nieuwe scheppers van ideologie. Het zijn zij die de flexibele ideologie van de toekomstige democratie aan het ineensteken zijn. En deze nieuwe dimensie zal positieve resultaten afwerpen. Het zal meer mogelijkheden bieden aan enkelen, en anderen alle mogelijkheden ontzeggen. Het zal de legaliteit van politieke managementprocedures garanderen en controle uitbouwen. En het zal lijken alsof dat gemanaget wordt vanuit de basis, verlangd door de mensen zelf, gegarandeerd door een veelheid aan meningen. Het zal grote veiligheid voor de ingeslotenen garanderen die gescheiden worden van de uitgeslotenen. Er zal een onmeetbare muur om hen heen worden gebouwd, die nieuwe noden voorziet die specifiek voor de heersende klasse zijn, maar onbegrijpelijk voor de onderdrukten. Het zal de uitgeslotenen selecteren op basis van hun mogelijke participatie, waarbij ze verschillende graden van tolerantie tonen afhankelijk van hun niveau van participatie. Voor de niet-participerenden, de slecht-aangepasten –de uitgeslotenen uitgesloten van alles – zullen er segregatiesystemen zijn. Niet zozeer gevangenissen in de oude stijl, maar nieuwe die zullen gerund worden door mensen in witte jassen.

Dit zijn de programma’s voor de herstructurering van de macht en de transformatie van de democratie. Tegen dit alles ingaan is een deel van het fascinerende en onmisbare revolutionaire project dat misschien nog moet uitgevonden worden.

[Ristrutturazione del capitale e nuova democrazia, tekst van een conferentie gehouden te Rovereto, 26 juni 1993.]

Geen crises meer

Het huidige kapitalisme heeft het geheel van de economische realiteit veranderd. De oude wereld die werd gereguleerd door wetten en rigide regels waarbinnen individuele bedrijven lange-termijnplannen konden opstellen, is veranderd in een wereld waar bedrijven om te kunnen overleven hun flexibiliteit en aanpassingsvermogen maximaal moeten ontwikkelen. Revolutionaire structuren, ook de anarchistische, werden vroeger ook gemodelleerd naar de idee van een rigide economische realiteit. Nu, in een tijd waar diepgaande technologische veranderingen de productie in een staat van bijna ‘chaos’ hebben gebracht, vragen we onszelf af of die oude revolutionaire theoriën nog valabel zijn. Ik denk niet dat we dat kunnen zeggen.

Een blik op een aantal oude zekerheden
Eén zaak die kan worden begrepen uit de niet erg geslaagde analyses die nu in circulatie zijn, is de andere rol die wordt toegeschreven aan het concept van ‘economische crises’ in de breedste zin van het woord.

Zelfs in recente jaren werd er in marxistische kringen nog heel wat gepalaverd over een ‘objectieve ontwikkeling van de crisis’ en verscheidene strategieën en organisaties baseerden zich op zo’n overtuiging. Niet alleen voorzagen ze een revolutionair moment van waarheid tegenover de klassevijand, maar ze gingen zelfs door tot in de details. Ze linkten de strategische functie van de revolutionaire partij en de ‘winnende’ keuze voor de veralgemeende gewapende strijd aan het verloop van de ‘crisis’ die zogezegd objectief was.

Wij weten dat de dingen zo niet werken. De gebeurtenissen die hebben geleid tot het gestotter van de hierboven vermelde stroming verdienen zelfs niet echt een discussie. Ze kunnen samengevat worden als een draai van 180° qua perspectief, gevolgd door een aantal boekhoudkundige problemen. De dingen draaiden niet goed uit (maar hoe zou het anders kunnen zijn als je vertrekt van zo’n premisse?) dus concludeerden ze dat het objectieve mechanisme niet had ‘gefunctioneerd’ zoals het had moeten doen. Anderen eindigden in een ontkenning van het hele mechanisme in hun bekering tot de collaboratie. Daarmee onthullen ze eens te meer dat de mentale limieten van vandaag identiek zijn aan die van het verleden. De limieten van vroeger waren alleen maar bedekt met een mantel van slogans en geprefabriceerde ideeën.

De complexiteit van het probleem van de ‘crisis’
Het is geweten dat marxisten gebruikt maakten van dit concept om zichzelf te troosten. Wanneer het conflict op een laag pitje stond en de harten maar lauw waren bleef de deterministische trein toch verdersjokken. De crisis werkte in plaats van de revolutionairen, de crisis erodeerde het hart van de economische en sociale structuur en bereidde het veld van de toekomstige contradicties voor. Op deze manier ziet de militant die alles heeft opgeofferd voor de revolutionaire hoop de grond onder zijn voeten niet wegzakken en gaat verder met zijn strijd, in het geloof dat hij een bondgenoot had die verborgen zat in de natuur van de dingen.

In meer contradictoire tijden waar het vuur van de klassenstrijd oplaaide, hield het determinisme op, of eerder, was het weinig nuttig en werd het verborgen achter de schermen. Het determinisme werd vervangen door een opportunistisch voluntarisme dat zich (hoopvol en vaardig) wierp op de initiatieven van de beweging, de plotse uitbarstingen van vernietiging en de creatieve spontane organisaties.

Maar naast de winkelbusiness waar de supporters van de gerevisioneerde macht zich nog steeds mee bezig houden, blijft het probleem nog in alle volledigheid voortbestaan.

In feite is de loop van de economische en sociale processen niet homogeen, noch in de minuten van specifieke situaties, noch in het geheel van internationale polen en tegenpolen. Periodes van economische opleving, constante productiecijfers en een groot internationaal equilibrium (zowel politiek als economisch) wisselen periodes af die doorwrocht zijn met contradicties waardoor het hele systeem een kritisch punt lijkt te bereiken.

Economisten hebben vaak gesproken van ‘cycli’, hoewel ze het er nooit over eens zijn hoe die zouden moeten geïdentificeerd of gespecificeerd worden. Je zou best wel kunnen zeggen dat het debat over de cycli een van de meest verbazingwekkende aspecten is van deze belachelijke wetenschap.

Zouden kapitalisten er ooit toe in staat zijn om orde te brengen in de economie als geheel, of in de individuele structuren waaruit ze bestaat? Het antwoord is een eenduidig ‘nee’…

Een dubbele vergissing
Dit alles betekent nog niet dat crises sowieso bestaan, dus kunnen we gewoon wachten op gebeurtenissen die ons uit zichzelf naar het revolutionaire moment zullen brengen.
Integendeel. Zulke ‘revolutionaire’ theorie gaat hand in hand met de kapitalistische plantheorieën (‘lange termijnplanning’).

De misvatting was dezelfde in beide gevallen. Men dacht dat de economische (en sociale) structuren een samengesteld geheel vormden die werden bijeengehouden door intrinsieke, goed geordende wetten die door een exacte wetenschap (economie) en haar huismeid (sociologie) werden bestudeerd en aan het licht gebracht. Revolutionairen en kapitalisten trokken daaruit dan bepaalde conclusies om hun lange termijnstrategieën uit te stippelen.

Nu begrijpt men dat crises niet bestaan. Niet omdat de wereld perfect geregeld en ordelijk is, maar omdat de wereld in een staat van totale wanorde verkeert. De wereld is overgeleverd aan het medelijden van turbulenties die kunnen stijgen of dalen, maar die op geen enkele manier kunnen beschouwd worden als ‘crises’ omdat het niet om een ‘abnormale situatie’ gaat, maar gewoonweg om de dagdagelijkse economische en sociale realiteit. Voor de kapitalisten werd ‘lange termijnplanning’ onbruikbaar en verouderd aan het begin van de jaren 70. Je zou echter kunnen zeggen dat voor sommige revolutionairen het concept ‘crisis’ nog steeds bestaat. Zoals we zien, is het tijdsverschil aanzienlijk.

Het lijkt me nuttig om naar de veranderde condities van de economie - alleszins op macro-economische niveau - te kijken. Zo kunnen we proberen de diepgaande veranderingen in de revolutionaire analyses die ooit ‘crisis’ als een randgeval zagen dat een beter gebruik van verstoringsinstrumenten mogelijk maakte, te begrijpen.

Het staat buiten kijf dat ook veel anarchistische analyses gebaseerd zijn op traag begrip, onverdiende overdracht en onvrijwillige berusting. Lange tijd werd gedacht dat economische analyses die werden aangereikt door de marxistische kerk gebruikt konden worden mits het weglaten van enkele premissen en de conclusie. Dit heeft nu al wel genoeg problemen opgeleverd. Het zou goed zijn om eens naar een oplossing uit te kijken.

Ik denk dat we op geen enkele manier marxistische ideeën kunnen gebruiken - buiten dan om alle dialectisch-deterministische premissen die systematisch leiden tot een transformatie van marxistische ideeën in onverteerbare banaliteiten uit te drijven.

Naar een samenwonen met wanorde
De noodzaak om productiviteitsvoorspellingen af te stemmen op een vooraf vastgelegde economische orde of vooraf bepaalde economische wetten maakte de situatie van kapitalistische bedrijven (die het belangrijkste onderdeel zijn van wat wij ‘kapitaal’ noemen) zeer wankel en riskant. Daardoor werd elke afwijking van de voorspellingen als vals beschouwd en als veroorzaakt door onverwachte situaties die exceptioneel aan de duurzame en constante gang van zaken ontsnapten. Veranderingen van de vraag, oligopolistische competitie, corporatistische bescherming van markten, prijsschommelingen, dalende kosten, beroepsnormen, milieuveranderingen: allemaal konden ze niet langer als ‘verstoringen’ worden beschouwd die de ‘zekerheden’ van de enige theorie die geautoriseerd was om de realiteit te interpreteren tegenspreken.

Het kapitaal werd geconfronteerd met verrassingen op het vlak van de strategie. Het stond tegenover voortdurende veranderingen van de voorspellingen, waardoor het moeilijker en moeilijker werd om up-to-date te blijven met de economische realiteit.
Een stil vermoeden begon zich te verspreiden dat economisch gedrag in z’n geheel wel eens ‘irrationeel’ kon zijn.

Staatsinterventie, zeker aan het einde van de jaren 70, kon vast en zeker bijdragen aan een mogelijk equilibrium, maar zou zeker niet volstaan. Staatsinterventie gericht op het afvijlen van de negatieve kantjes van ‘kapitalistische concurrentie’ bleek te geconcentreerd te zijn op de institutionele nood aan sociale controle. De Staat is in essentie een economische onderneming die de hele economische (en sociale) realiteit probeert te reduceren tot de productie van één product: sociale vrede.

Het kapitaal ziet zichzelf gereflecteerd in de misvormende spiegel van de Oost-Europese landen. Het heeft door dat de staatskapitalistische weg naar heropleving een nog erger kwaad is. Die weg garandeert immers wel het voortbestaan van macht, maar verstoort de klassieke mechanismen van het kapitalisme te veel. Het domesticeert het kapitalisme binnen de beperkte terreinen van de institutionele nood aan controle.

Als je erover nadenkt, is de hele fase van de Staat als corrigerende variabele (een fase die strikt economisch bekeken eindigde aan het begin van de jaren 80), er ook op gericht zichzelf te onderbouwen met de grootste technologische ontwikkeling in de geschiedenis: elektriciteit. Dit was in feite het onmisbare element om samen te leven met het monster. De oplossing lag in het zo snel mogelijk bereiken van een maximum aan flexibiliteit.

De theoretische inspanning
Economisten hebben hard gewerkt. Geconfronteerd met het gevaar opgesloten te blijven in het schema van de ‘crisis’, hebben ze hun mouwen opgestroopt. Eerst bekritiseerden ze de neoklassieke theorie van het bedrijf, daarna die van het managementregime. Ze probeerden deze theorie verder te stuwen in de richting van ‘uniformiteit’ om een einde te maken aan de onzekerheden die werden veroorzaakt door een grote veelheid aan fenomenen.

Daarna kwam er een kritiek op ‘crisis’, geanalyseerd als een passieve aanvaarding van een abnormale situatie die overstegen kon worden. De hele jaren 70 werden gekenmerkt door economisch onderzoek gericht op het bekritiseren, in de ‘negatieve’ betekenis, van de onbetrouwbaarheid van voorspellingen die gebaseerd waren op de economische theorieën van het verleden (zowel neoklassieke als managementtheorieën).

Uiteindelijk werden aan het begin van de jaren 80 ‘instabiliteit’ en de relatieve complexiteit van fenomenen erkend als intrinsieke delen van de economische setup. De idee van de aanwezigheid van tegengestelde krachten die gereguleerd konden worden werd voorgoed opgeborgen.

Economisten praten nu over ‘niet-bijstelbaarheid’. Een bepaalde situatie - op korte of lange termijn - wordt voor het bedrijf alleen maar begrijpbaar als de hele economische realiteit in beschouwing wordt genomen. Een economische realiteit zonder centrum en zonder aangeboren capaciteit om stabiliteit voort te brengen. Een economische realiteit als een optelsom van krachten die opereren op basis van beslissingen die niet altijd als ‘rationeel’ kunnen bestempeld worden.

Het antwoord van de economische theorie om dit probleem op te lossen was klaar en duidelijk. Kapitalistische bedrijven kunnen aan zo’n situatie alleen het hoofd bieden door flexibiliteit tot een maximum te ontwikkelen. Het gaat hier niet over ‘een nieuwe situatie’, maar over een ‘nieuwe manier om tegen de dingen aan te kijken’. Het bedrijf moet flexibel zijn bij het nemen van beslissingen, bij de organisatie van de productie en in haar capaciteit om zich geheel aan de huidige veranderingen aan te passen.

Daarom decentraliseren bedrijven. Productieve processen staan niet langer vast, afwijking is de regel. Chaos wordt een deel van het geruststellende canon van de ‘economische wetten’.

In realiteit is chaos gewoon chaos gebleven. Alleen de manier om de chaos te vatten is veranderd. De kapitalist probeert te leren hoe hij het monster kan temmen. Hij heeft nooit veel scrupules gehad en altijd een zekere piratenmoed gekoesterd. Nu meer dan ooit. Er zijn geen priesters van de economie meer over om troostende wiegeliedjes te zingen. Als hij wil overleven, moet hij dat op korte termijn doen. De wapens van plundering en geweld worden meer en meer op de korte en middellange termijn gebruikt. De grote planprojecten - die vaak een vleiende echo kregen in het sociale veld - zijn voorgoed opzijgeschoven.

De economische theorie van het verleden loopt op z’n laatste benen. Het neoklassieke model dat rationele economische curven die botsten en hun natuurlijk equilibrium vonden in de markt theoretiseerde werd opzijgeschoven. De managementtheorie die uitsluitend was gebaseerd op de stabiliteit en plancapaciteit van het bedrijf zit in hetzelfde schuitje. Deze overblijfselen van het verleden werden ingeruild voor het concept van ‘trial and error’, dat nu volledig is ingepalmd door de cybernetica. Natuurlijk zijn deze pogingen alleen maar mogelijk als het bedrijf uiterst flexibel is geworden en genoeg controle kan uitoefenen over die cybernetica.

Deze nieuwe situatie stelt het bedrijf voor het probleem hoe te handelen in het licht van haar incapaciteit om de externe variabelen en zelfs een aantal interne variabelen te controleren. De ‘politieke’ componenten van het bedrijf, de technostructuur zoals die werd omschreven door ‘linkse’ Amerikaanse economisten van de jaren 70, zijn onzekere elementen geworden. Op het niveau van de macro-analyse verliezen de Staat zelf en haar invloed op de economie de vastberadenheid die ze vroeger uitstraalden. Op het niveau van de micro-analyse verliezen de individuele bedrijven de strategische capaciteit om te plannen.

De nieuwe realiteit wordt daarom gekenmerkt door het invoeren van externe instabiliteit in het bedrijf zelf, een einde aan de stabiele relaties tussen bedrijven onderling, veranderingen in de regulerende functies van de Staat (waar de nadruk komt te liggen op het bewaken van de consensus) en een einde aan de gefixeerde procedures in het bedrijf. Het traditionele kapitalistische concept van accumulatie en kwantitatieve groei van de productie verdwijnt.

De nieuwe methodes zijn vooral gebaseerd op snelle beslissingsprocedures en vele mogelijkheden om productiefactoren te vervangen. Het managementaspect van het bedrijf verandert daardoor aanzienlijk. De wetenschap van economische beslissingen verdwijnt voorgoed en wordt vervangen door een praktijk (of, naargelang onze voorkeur, kunst) van empirische en eclectische beslissingen, schaamteloos en talentvol gericht op onmiddellijke winst.

Economisten proberen een theorie op te bouwen over de samenloop van onzekere gebeurtenissen. Het is een onderzoek naar de omstandigheden die een bepaald bedrijf binden aan een bepaalde externe situatie. Deze theorie kan niet onderworpen worden aan economische berekeningen op basis van wetten, maar alleen op empirische observaties op zeer korte termijn. Het is de vrucht van recente ervaringen die ook los stonden van theorieën van lange termijn voorspellingen.

De neo-kapitalistische dromen zijn voorgoed ineengeschrompeld. Ook de dagen van de grote fabrieken zijn geteld. Het wordt stilaan duidelijk dat een analyse gebaseerd op een rigide concept van organisatie geen zicht biedt op de economische realiteit zoals die is en dus resulteert in een ongeschikte productiecapaciteit.

Om de veranderingen die plaatsvinden te begrijpen is het noodzakelijk om onze aandacht op een aantal punten van oude economische analyses te richten. Bijvoorbeeld de productieve cyclus van een afgewerkt product, de curve van kostenreductie gerelateerd aan processen die leiden tot kostenstijging, kapitaalsconcentratie van zowel individuele bedrijven als van oligopolistische sectorgroepen, de grootte van het bedrijf, de idee dat kleine bedrijven het achtergestelde deel van de economie uitmaken, de functie van staatsinvesteringen, het bestaan van geavanceerde nuclei van investeerders op het technologische niveau die in staat zijn om de gehele economie te beïnvloeden: dit zijn een aantal punten van de traditionele visie. Stap voor stap zijn ze allemaal aan het verdwijnen. De conclusie is daarom dat het onmogelijk is om een algemene theorie op te bouwen. Wat overblijft zijn benaderingen om de schade van de tegenstellingen tussen de externe realiteit en de individuele firma te beperken.

Het ‘nieuwe’ bedrijf dat ontstaat uit deze unieke smeltkroes
Dit bedrijf is niet langer gecentraliseerd en dient niet langer als een referentiepunt voor externe functies en belangen. Ooit waren onderzoek, productie, commerciële distributie, vraag van Staatswege (geforceerde constante groei), de zoektocht naar grondstoffen, de verspreiding van eigendom, de groei van politieke macht,… allemaal elementen van planning gebaseerd op het ‘centrale’ positivisme van de fabriek.

De fabriek beweegt niet langer in de richting van continue uitbreiding en beschouwt zichzelf niet langer als een compacte eenheid. De fabriek blijft zich ontwikkelen, maar op een andere manier.

Het is belangrijk dit concept goed te begrijpen. De ‘nieuwe groei’ is exclusief gebaseerd op de relaties die de fabriek onderhoudt met de buitenwereld. Overeenkomsten en projecten groeien gelijkmatig met een gemeenschappelijke taal en code. Niet alleen met andere bedrijven (beperkt door natuurlijke grenzen), maar met de gehele omgeving, geavanceerde technologie en wetenschappelijk onderzoek. Dit nieuwe systeem (met Japan op kop, ver vooruit op de Verenigde Staten van Amerika) transformeert zichzelf van gesloten systeem naar een situatie-systeem, of zoals het wel eens genoemd wordt, een country-system.. Het situatie-systeem verschaft technologie, arbeidsprofessionalisme, diensten, capaciteit om zowel legale als materiële infrastructuren te omzeilen en te verbeteren, sociaal en ideologisch gedrag. Of om het met één woord te zeggen: het verschaft een geschikte omgeving. Niet de objectieve omgeving waar het oude bedrijf aan gekoppeld werd door haar nood aan orde te reduceren, maar een herwerkte omgeving die past bij het nieuwe concept van de ontwikkeling van het bedrijf.

Dit concept moet je in gedachten houden als we praten over de ‘opbraak’ van de fabriek. Het is niet zozeer één specifieke situatie die is vergruisd, dan wel de hele situatie in al haar complexiteit. In de eerste plaats is dit mogelijk gemaakt door de aanwezigheid van elektrische technologie die alle ruimtelijke grenzen, en dus ook alle tijdsgrenzen, heeft afgeschaft. Werken in real time: het moderne bedrijf heeft niet langer warenhuizen en rigide opslagplaatsen voor onderdelen nodig. Het heeft geen productie-eenheden opgezet voor lange termijn meer nodig. Het heeft zelfs geen massieve financiële investeringen meer nodig om de productielijnen te veranderen. De bedrijfsflexibiliteit is zo georganiseerd dat het exponentieel groeit, vooral sinds de oplossing van het sleutelprobleem van de mankracht en bijgevolg de verdwijning van het spook van sociale strijd die het vergezelde.

De multinational zoals we die kenden in het verleden is ook veranderd. De grote zelfvoorzienende kolos bestaat niet meer. Er is niet langer een centrum dat haar ontwikkeling kan opleggen aan de Staat. De nieuwe multinational is verbonden met de omgeving waarin het bedrijf opereert, in een poging om externe condities om te vormen tot eigen winst. De multinational domineert niet langer de technologische circuits en controleert niet langer de markt. Geen enkel bedrijf, hoe groot ook, kan de ontwikkeling van technologie controleren of beslissen over het al dan niet toepassen ervan. De multinational gaat eerder in de richting van een collectieve supranationale onderneming. De multinational vormt zichzelf om tot een enorm complex van aanvullende bedrijven die verbonden zijn door de condities van de productietechnologie en de individuele capaciteit om uit te buiten.

Revolutionairen
Ook al is wat we geschreven hebben niet meer dan een schets van de situatie, is het van belang voor revolutionairen.

Als het ‘einde van crises’ betekent dat het kapitalisme probeert te overleven door zich aan te passen aan een economische realiteit die gezien wordt als chaos, kunnen we niet praten over programmeren, voorspelbaarheid of economische wetten. We kunnen niet praten over ‘crises’ als situaties die in ons voordeel zullen uitdraaien.

We kunnen zelfs niet denken over de klassenstrijd als iets met afwisselende fases. Natuurlijk is het conflict niet ‘constant’ doorheen de tijd. Er zijn momenten met lagere en hogere intensiteit. Het is eerder een kwestie van kwalitatieve en kwantitatieve veranderingen die niet deterministisch teruggevoerd kunnen worden op simpele economische oorzaken. Een verregaande verweving van sociale relaties ligt aan de basis van de klassenstrijd. Geen enkele analyse kan ons een ware maatstaf bieden om verwachting te meten of om legitimatie voor bepaald gedrag te verschaffen. De tijd is altijd rijp voor de aanval, zelfs als de consequenties aanzienlijk zouden kunnen verschillen. In deze zin moeten we nadenken over de mogelijkheid van een revolutionaire organisatie die beantwoordt aan de realiteit van het klassenconflict zoals het zich vandaag de dag afspeelt.

De organisatorische structuren van het verleden - van partij tot gefedereerde groep, van vakbonden tot arbeidersraden - beantwoordden min of meer aan een idee van economische realiteit dat het kapitalistische bedrijf als een centrum, als een concentratie van macht en capaciteit tot uitbuiting zag. Men dacht dat een evenwaardige monolithische structuur (vakbond, partij, federatie) de logische manier was om ze te bestrijden. Zelfs in het verleden, wanneer men zweerde bij economische wetten, was de productieve realiteit in feite chaotisch en men werd systematisch afgestraft telkens men het op de verkeerde manier benaderde. Misschien moeten de concepten van ‘economische cycli’ en ‘crises’ in dit licht gezien worden. Dus: we hebben veranderingen in de realiteit van de productie, maar boven alles hebben we een andere manier om naar deze realiteit te kijken. Het is daarom eens te meer tijd om een andere manier om naar de realiteit te kijken vanuit revolutionair perspectief te ontwikkelen. Ik zeg dit nog eens omdat, zeker voor anarchisten, een radicale kritiek nooit heeft ontbroken, zeker wanneer we onszelf verzetten tegen de monolithische en kwantitatieve concepten van het anarcho-syndicalisme en de bijna politieke partij verdwazingen van de grote anarchistische federaties.
Een andere organisatorische structuur moet voor het grootste deel nog uitgedacht worden en in praktijk gebracht worden, maar hoeft zeker niet opnieuw ontdekt te worden. Elke poging om lijken van oude organisatorische processen te doen herrijzen zou een verduidelijking moeten bevatten over hoe ze tegenover een economische en sociale realiteit staan die steeds gemakkelijker te begrijpen valt in niet-deterministische termen, en zeker niet door rigide economische wetten. Elke keer als zulke verduidelijking wordt geprobeerd, elke keer als nieuwe revolutionaire organisatorische voorstellen gebonden zijn aan beelden uit het verleden (partijen, federaties, groepen, syndicalisme,…), beseffen we hoe de gemeenschappelijke visie op de economische realiteit verbonden is met de veronderstelling dat er meer of minder rigide wetten bestaan. Als deze wetten omhelsd worden of subtiel verstopt zitten tussen de regels door, komt het geloof in economische cycli van ‘crises’ op de voorgrond. En dit geloof, net zoals elk ander, blijkt erg geruststellend te zijn in tijden van ontbering. Door economische modellen uit het verleden te onderwerpen aan een radicale kritiek, kunnen we verdere twijfel zaaien over de huidige (meer nog, aarzelende) overtuigingen over de organisatorische structuren van de revolutionaire beweging in het algemeen en de anarchistische beweging in het bijzonder.
Maar, zoals we allemaal wel weten, neigen revolutionairen ertoe conservatiever te zijn dan de conservatieven.

[La ‘fine’ della crisi’, in ‘Anarchismo’, n°57, 1987.]

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License